- Website Histoarysk Wurkferbân Wûnseradiel
Herinneringen aan de Afsluitdijk van Johannes Brandsma
 
   

Johannes Brandsma schreef dit verhaal in maart 1982.

Hij werd 14 februari 1902 geboren in Makkum als zoon van Hendrik Brandsma en Dieuwke Visser. Vader Hendrik was machinist 'stoker' op de stoomboot 'Burgemeester Britzel', die een beurtdienst met passagiers-accommodatie onderhield van Makkum op Sneek.
In 1917 kreeg Johannes een baantje bij schilder Elzinga op de Voorstraat. Het was echter de tijd van verdwijnende industrie van Makkum, de panwerken sloten de ene na de andere. Voor ondernemende jongeren leek er geen toekomst meer te zijn. Als zovelen in die tijd probeerde hij zijn geluk in het overzeese. Van 1926 tot 1931 vertoefde Johannes in Canada en de USA. De wereldcrisis liet ook dit land niet onberoerd en hij keerde terug. In Canada leerde Johannes niet onverdienstelijk goochelen. Terug in Nederland bracht hij deze nieuwe verworvenheid met succes in de praktijk. Regelmatig trad hij op als goochelaar onder de artiestennaam 'Joe Burton'.
In 1937 huwde hij Regina Postma, (geb. 20-10-1915 te Makkum en overleden 14-06-1978 te Den Helder). Regina was een dochter van Sierk Postma en Eelkje Altena. In bijgaand verhaal vertelt hij zijn verdere levensloop.
Johannes Brandsma overleed in Den Hel­der op 26 januari 1985.

1978: Samen met broer Rintje sponsorde Johannes jarenlang de Gebroeders Brandsma kaatspartij in Makkum. Johannes was ook oprichter van de Kaatsvereniging Den Helder. 

Aflsuitdijk

Mijn eerste kennismaking met de afsluitdijk was in de winter van 1931-1932. In oktober 1931 kwam ik terug uit de U.S.A., waar ik vijf jaar gewerkt had als huisschilder. Er waren, toen ik terug ging naar Nederland, 12 miljoen werklozen in Amerika. Dat was de reden dat ik terug ging naar Holland. Mijn familie woonde in Makkum dus vlak bij de afsluitdijk. Mijn broer werkte ook aan de dijk als steenzetter.

Ik kon daar werk krijgen bij de bunkerbouw. Mijn eerste werk was rails aanleggen voor de kipkarren. Dat was, althans voor mij, een koud baantje, met een moersleutel die rails aan elkaar koppelen en op je knieën. Na een paar uur kon ik niet meer en ik zei dat dan ook tegen de voorman die me ander werk gaf achter de kipkarren cement, zand en kiezel vervoeren naar de betonmolen.

Dit heb ik een paar dagen volgehouden, maar dat was ook geen werk voor mij. Toen moest ik maar, met nog een paar jongens óp de bunker. De specie uit de betonmolen die gestort werd moesten wij met latten in de bekisting aanstampen. Dat werk heb ik een week gedaan, toen kreeg ik mijn ontslag en dat was maar goed ook. Dit was geen werk voor een schilder.

Een paar weken later kon ik weer werken bij de bunkers. Er waren 12 stuks op Kornwerderzand en al het ijzerwerk in die bunkers moest geschilderd worden. Dit was beter werk, en ik heb het er een tijdje best naar de zin gehad. Ook heb ik voor een baas uit Makkum nog een benzinestation geschilderd. Dit stond ook op Kornwerder-zand. In 1940 moest dit gebouw verdwijnen, want het stond in het schootsveld van de kanonnen.
Ook de woningen van het personeel (sluiswachter enz.) hebben ze toen plat-geschoten. De kantine van Keizer moest om dezelfde redenen verdwijnen.

Op Breezand werden de gebouwen later door de Duitsers opgeruimd.

   


Smalspoorloc met kipkarren op het Kornwerderzand.


Achter de vernielde openstaande brug de restanten van de woningen op Kornwerderzand.

Volop bebouwing op Breezanddijk. Midden met vlag de "IJselmeer" van Douwe Amels uit Makkum. Met de voormalige Rijkspost-boot, die de dienst onderhield op Wieringen tussen Ewijcksluis en De Houkes, verzorgde Amels vanuit Makkum rondvaarten naar de Zuiderzeewerken. Na voltooiing van 'de Dijk' liet Amels het schip op de familiewerf verbouwen tot de viskotter WON 52. Rechts het directieschip van de MUZ de 'Prins Hendrik', deze werd ook gebruikt bij de opening van het Makkumerdiep in 1928.

Greppelploeg en kabelwagen in pas drooggelegde Wieringermeer

Wieringermeer

Mijn tweede kennismaking met de afsluitdijk was in het voorjaar 1932. Mijn oudste zuster, Marie, was getrouwd met Willem Hergaarden, die in Makkum een café had, De Harmonie. Zij hadden een monteur in de kost, die werkte bij garage Bouma in Makkum. Deze monteur, Sluiter was zijn naam, had een broer en die was voorman bij schildersbedrijf Boomsma in de Wieringermeer. We zijn toen van Makkum in een snelle motorboot naar Den Oever, op Wieringen gevaren en toen op een paar gehuurde fietsen naar Sluis I, Slootdorp in de Wieringermeer gefietst. De Wieringermeer was net droog. Er stond een kantine (de beheerder heette Zwaan), in een klein houten gebouwtje was een hulppostkantoortje, waarin ook nog een dokter woonde. En dan een grote woonkeet "Huize Sonneburg". In de ene helft woonde de baas met vrouw en twee kinderen en de rest was voor de schilders.
Woon- en slaapvertrekken waren van elkaar gescheiden. Een grote glaskist met stro gevuld werd mijn slaapplaats. Verder was er niets in de polder. Veel ongedierte, vooral toen het wat warmer werd. Af en toe werd de vloer met creosoot, met een grote kwast behandeld. Als je dan 's morgens waklcer werd, was je helemaal bedwelmd. Dat was voor de vlooien. Aan het vaarwater stonden een paar vaten. Eén maal in de week kwam er een schuit, die de vaten met drinkwater vulde. Waar was ik terecht gekomen?
Van de hemel in de hel. 5 jaar alle luxe die ik had in Amerika, en hier niets van dat alles.

Toch hadden we een fijne ploeg schilders hier. De meesten kwamen uit Friesland en we konden goed met elkaar opschieten. De vrouw van onze voorman was in verwachting en baarde in het voorjaar een flinke baby. Het was het eerste kind dat in de Wieringermeer werd geboren. De voorman zijn naam was Hielke Sluiter.

De Eersteling

De eerste boerderij waar we werkten stond tussen De Haukes en Slootdorp. Hij heet nog steeds "De Eersteling". Glas en verf werd er met een vlot heen gevaren. Wegen en bruggen waren er toen nog niet. Later heb ik de baas overgehaald een Ford vrachtwagen te kopen.
Ik kon goed autorijden, dus kreeg ik er een chauffeur-baan bij. Een rijbewijs had je daar niet nodig. In de meeste boerderijen was wel genoeg benzine voorradig voor de landbouwwerktuigen.

's Avonds trad ik vaak op als goochelaar voor de jongens van de Heidemaatschappij, die ook in de polder werkten. De pastoor en de dominee vergezelden mij dan in hun auto. We hadden meestal laarzen aan, en op een boeren-, wagen stond ik dan mijn kunsten te vertonen.
Er was ook nog een luitzanger in ons programma, deze werd er goed voor betaald en ik verdiende zo ook nog een zakcentje.

Het was toch wel een avontuurlijk leventje daar in de meerpolder. Er liep een weg van Slootdorp richting Kolhorn. Aan die weg was ook een kamp. Er stonden daar vele houten barakken en daar in dat kamp woonden toen joden. Hele families waren daar ondergebracht. Wat die mensen daar deden weet ik niet. Éénmaal in de vier weken mochten we naar huis.
Dat was een hele reis. Zaterdags om een uur of twaalf ging ik op de fiets naar Den Oever. Dan kon je met een moterbootje langs het laatste gat van de afsluitdijk varen. Dat was circa acht kilometer. Dan stapte je uit met de fiets en dan maar zien dat je in Friesland kwam. Ik fietste dan boven op de dijk in het gras, want een weg was er nog niet. Ook brak er vaak een as van een van de wielen, dan moest ik lopen. O! wat heb ik die rotdijk toen wel vervloekt!
Ik was toen 30 jaar en nog steeds vrijgezel.
's maandagsmorgens fietste ik dan naar Kornwerder-zand. Er voer een stoomscheepje van Harlingen naar Den Oever. Daar kon ik dan tegen betaling meevaren naar Den Oever. En dan naar de polder weer op de fiets.
Oh, wat een ellende!

   


Boven de Koningin Emma-Hoeve te Slootdorp.
Midden en onder eerste bebouwing bij Sluis 1 nabij Slootdorp.

Sluiting van de Vlieter, het laatste gat in de Afsluitdijk.

Sluiting Vlieter. Op voorgrond mogelijk de filmende Gerrit Aalfs, leraar aan de Harlinger HBS. Zijn opnamen werden later gebruikt in de film ''Woeste Gronden'' van Joris Ivens. Overigens zonder naamsvermelding.

Zaterdag 28 mei 13.02 uur 1932

Als eerste met een fiets over de Afsluitdijk.

Het was zaterdag 28 mei 1932 dat ik verlof had. De wegen in de Meer waren al goed berijdbaar. Om ongeveer 12 uur was ik bij Den Oever en zo fietste ik dan naar het laatste gat in de afsluitdijk, daar waar nu het monument staat.
Het duurde niet lang of de laatste bak met keileem sloot het gat. Een heleboel drukte was het daar. Maar ik wou naar huis.
Het gat ging dicht om half drie. Nou, daar stond ik tussen al die mensen. Ik nam gauw een besluit. Ik trok mijn broek uit en mijn schoenen en sokken, de fiets op de rug en daar ging ik op mijn blote benen over de glibberige keien. Na ongeveer 15 minuten stond ik aan de andere kant van het gat, spoelde mijn benen goed af, kleedde mij weer aan en vervolgde mijn fietstocht. Ik was de eerste die, met de fiets op mijn rug, over dat laatste gat ging. Eén van mijn schoenen had ik tijdens de oversteek van dat laatste gat verloren, maar dat mocht de pret niet drukken.


In de hersft van 1932 heb ik mijn ontslag genomen. Maar mijn gedachten gaan nog vaak naar mijn oude poldervrienden. Het was een mooie tijd geweest. En nu ben ik 80 jaar. Waar is de tijd gebleven!?

   


De laatste werkzaamheden in het sluitgat de Vlieter (28 mei 1932,12.45 uur)

Schilder in Den Helder

In het voorjaar van 1933 kreeg ik een brief van mijn oude vriend Piet de Boer. Hij had met mij gewerkt in de Wieringermeer bij dezelfde baas bij wie ik had gewerkt in 1932.
Hij schreef, dat er genoeg werk voor schilders in Den Helder was, en ik zo aan de slag kon bij de baas waar hij werkte. Veel nieuwbouw en ook nog een prima baas. Zo kwam ik terecht bij Jan Riemers. Die had daar een groot timmer- en schildersbedrijf.

Wij waren beiden nog vrijgezel, dus nog niet veel zorgen. Piet kwam, net als ik uit Friesland. De afsluitdijk was toen al goed berijdbaar, zodat wij regelmatig op de fiets naar huis gingen. In het begin moest je nog tol betalen als je over de dijk ging. Ik geloof dat het een kwartje per fiets was en een gulden per auto. Maar zeker weet ik het niet meer. Later werd dit opgeheven.

   


Vanaf de Waddenzijde: de zeedijk, terrein voor de spoorweg welke nooit is aangelegd, fietspad en 2 baans rijweg.

Ook werd er nog druk gewerkt aan de dijk. Op de helft, Breezanddijk, was een café. De bus van Alkmaar naar Leeuwarden stopte daar ook een tijdje. Er kwam een goed fietspad langs de gehe­le dijk. Het was maar één meter breed en gemaakt van beton. Langs dit fietspad was een afrastering van betonpalen met daartussen ijzerdraad. Achter de afrastering lag een brede groenstrook waarop later de spoorweg aangelegd zou moeten worden. Nu liepen er schapen die ook boven op de dijk, aan de zeekant, konden komen. De éénbaans betonweg is later vervangen door een tweebaans rijbaan, en de spoor­weg is er niet gekomen. Op Kornwerderzand en Den Oever waren wel al pijlers gebouwd voor de spoorbrug­gen maar dezen werden nooit gebruikt. In de jaren 1933-'35 fietsen Piet en ik re­gelmatig naar Friesland. Ook hebben we tezamen nog een motorjacht gehad in Den Helder. Wij woonden er samen in en zaterdags maakten we tochtjes langs het Noord-hollands kanaal en naar het Amstelmeer.    


Breezanddijk richting Friesland gezien. Ten tijde van de aanleg waren er buiten de onderkomens voor de arbeiders een café, kapper, bakker en postkantoor.

 

 

De oorlog

Piet had een meisje in Eindhoven en in 1936 is hij daarmee getrouwd. Zij kon echter niet wennen in Den Helder en toen zijn ze naar Eindhoven verhuisd. Daarna heb ik nooit meer van hem gehoord.
In '37 trouwde ik met een meisje uit mijn geboortedorp Makkum wij gingen in Den Helder wonen. Van 1933 tot half 1940 heb ik aldoor voor Jan Riemers gewerkt. Een week voordat de oorlog uitbrak ging ik naar de Rijkswerf in Den Helder. Op 29 april 1940 werd ik daar re werk gesteld als scheepsschilder. Het begon al goed. In de eerste week had ik al een dag vrij; Hemelvaartsdag, maar anderhalve week later (Pinksteren) was het oorlog. Op de avond van de capitulatie van Nederland werd Den Helder gebombardeerd door de Duitsers. Wij zaten in doodsangst onder de tafel, met een kleine meid van 2 jaar en een jongetje van vier weken. Tot overmaat van ramp viel ook het licht uit. Wij woonden vlak bij het centrum. De hoofdstraat stond te branden en wij stikten zowat van de rook. Uit angst zijn we toen ons huis uitgevlucht. De baby in de kinderwagen en de kleine meid op de arm. Zo kwamen wij bij mijn oude kostvrouw aan waar wij de hele nacht zijn gebleven. De volgende dag zijn wij met de eerste bus naar Makkum gevlucht. De dag erna ben ik alleen naar Den Helder teruggegaan. De rijkswerf was voor het personeel gesloten de eerste paar dagen.

Mijn oude baas vroeg mij of ik ruiten wou zetten in Hotel Den Burg. Zijn personeel was ook gevlucht. Er was geen ruit meer heel. Na een paar dagen mochten wij weer op de werf komen en de eerste weken moesten wij daar alle ruiten zetten. Ik was 's avonds alleen in mijn huis en ik moest mij maar zien te redden. Zaterdags ging ik op de fiets naar Friesland en 's maandags keerde ik terug naar Den Helder. Vier jaar lang heb ik dat volgehouden. O, wat heb ik die dijk wel vervloekt. Vooral in de winter. De eerste twee winters was het haast niet te doen. Er lag toen zoveel sneeuw en soms begon het ijs in het IJsselmeerr ook te kruien en dan schoof het gewoon de dijk op over de weg. Ook had je bijna geen licht op de fiets, begonnen de banden te slijten en kon je later geen nieuwe meer krijgen. In het begin kon ik nog weleens meerijden met een vrachtauto, maar met het schaarser worden van de benzine was ook dit afgelopen.

De koffer

Vaak werd je aangehouden. In Friesland kon je nog voldoende voedsel krijgen, maar dit werd je soms afgenomen. Er was meestal controle op de dijk en vaak werd die uitgeoefend door N.S.B-ers. Ik had een rieten koffer met een leren riem als sluiting. De koffer bestond uit twee even grote helften. In de bovenste helft had ik een zeildoek genaaid. Je kon in Makkum altijd voldoende gerookte paling kopen; 50 cent per pond. Deze mocht echter niet over de dijk worden vervoerd, daar werd streng op gelet. Ik stopte de paling dan in de bovenste helft van de koffer. Zo kon ik wel 4 pond meesmokkelen. Werd ik aangehouden, dan haalde ik het bovenste deel van de koffer, en zette dat naast me op de grond. Het andere deel, met tomaten, meel, brood enz., bleef achter op de fiets. Er is nooit iemand geweest die in de bovenste helft keek.

Aangehouden

Éénmaal werd ik aangehouden door een Duitse schildwacht; dat was bij de sluizen op Den Oever. Ik liet mijn Ausweis zien en toen nam hij me mee naar een barak. Daar zaten meer soldaten. Ik mocht niet weg en moest wachten tot hij terug kwam van de wacht. Gelukkig duurde dit niet lang. Hij wilde weer mijn Ausweis zien, en haalde toen zijn papieren uit zijn borstzak, die liet hij mij zien. Zijn geboortedatum was 14 februari 1902, dezelfde als die van mij! Ik kon geen kwaad meer doen. Ik kreeg te drinken en te roken en hij gaf als afscheid nog een flink stuk worst mee.
Er waren dus ook nog goede Duitsers. Toen kwam in 1944 de dag dat Engelse parachutisten bij Arnhem werden neergelaten. Het was op een zondag geloof ik.
De Duitsers waren in paniekstemming. De maandag daarop zou ik als gewoonlijk weer op de fiets naar Den Helder, maar ik mocht de dijk niet meer over. Toen ben ik maar in Friesland gebleven tot het einde van de oorlog. Met spinnen kon ik er nog wat bijverdienen, en in Makkum was nog voldoende eten om in leven te blijven; aardappels, vis (paling) en bij de boeren kon je iedere dag melk halen. De zuivelfabrieken lagen stil. Op 17 april zijn we na drie dagen strijd door de Canadezen bevrijd. De Duitsers hebben nog geprobeerd om vanaf Kornwerderzand Makkum te beschieten, maar daar kwam spoedig een einde aan.

Na de oorlog wou ik weer naar Den Helder, maar de dijk is nog een tijdje afgesloten geweest. Ik heb toen maar afgewacht tot de werf mij een oproep zou sturen, maar die kwam niet. Wel ontving ik een tijdje later een oproep uit Den Helder om daar te verschijnen voor een soort gerecht Ze moesten alles van mij weten. Nu dat liep goed af. Toen ik daar was geweest ging ik naar de werf maar ik mocht er nog niet op. De baas van de schilders heeft mij toen laten ophalen. Het eerste wat hij vroeg was, waarom ik niet direct na de oorlog te werk was gekomen. Het loonbureau zou mij een oproep hebben gestuurd. Die had ik nooit ontvangen. Dus naar het loonbureau. Daar hielden ze vol dat ze mij een oproep hadden gestuurd die ze echter retour hadden gekregen. Hij haalde de brief uit de kast en toonde die mij: Johannes Brandsma, schilder Bakkum. Ik vertelde ze dat ik nooit in Bakkum gewoond had, maar in Makkum, Friesland. Ze hadden een stomme fout gemaakt Een week later zat ik weer in Den Helder op de rijkswerf.

27 Jaar heb ik daar gewerkt.
In 1967 ben ik gepensioneerd.

   

1945: De verwoestingen op Kornwerderzand. Links het bedieningshuis van de sluizen.

 

Artikel eerder gepubliceerd in Aldnijs 4 /5, maart 1994. Aldnijs is het donateursblad van de stichting Ald Makkum
bewerking O. Gielstra

 

 

 

Index pagina

Vorige pagina

 

Histoarysk Wurkferbân Wûnseradiel