Gerrit van der Linde Makkumer matroos overleefde Histoarysk Wurkferbân Wûnseradiel

Gerrit van der Linde
Makkumer matroos overleefde scheepsramp Zr. Ms. Rammonitor ”Adder” in 1882

 

In de familie Van der Linde circuleerde lang het verhaal dat matroos Gerrit van der Linde en een collega de enige overlevenden waren van het verder met man en muis vergane oorlogsschip ”De Adder”. Dit was een zogenaamde ramschip, gebouwd voor dienst in de Nederlandse riviermonden. Door de Marineleiding de Noordzee opgestuurd voor verplaatsing van Den Helder naar Hellevoetsluis. Halverwege werd een tussenstop gemaakt. Gerrit maakte van de gelegenheid gebruikt om met een maat te gaan passagieren. Mede door de aangetroffen gezelligheid vergaten de mannen de tijd en toen ze later, licht aangeschoten, de haven bereikten bleek ”De Adder” reeds uitgevaren. Nog diezelfde nacht verging het schip met man en muis. De beide matrozen kregen gratie en ontliepen daarmee de straf die op dessertie stond.

 

 

Gerrit Jaspers van der Linde 
geb.  15-10-1859, Makkum
overl. 20-08-1942, Makkum
in het verzorgingshuis Avondrust 
In z’n jonge jaren diende de
schipperszoon bij de marine

 

   
 
De mysterieuze ondergang van ”De Adder”

De ondergang van Zr. Ms. Rammonitor ”Adder” zorgde in 1882 voor de nodige commotie. Er werd zelfs een speciale onderzoekscommissie ingesteld die, in een lijvig rapport, verslag uitbracht aan de Koning. Het leverde een aantal opmerkelijke feiten op die bovenstaande familieanecdote staven. Gerrit en z’n maat waren echter niet de enigen die de dans ontsprongen!

Mysteries blijven de boventoon voeren in het rapport. Niet alleen omdat nooit precies achterhaald is wat de werkelijke oorzaak was van de ondergang van het marinevaartuig. Het bleef vooral een raadsel waardoor de ramp met dit schip, middenin de zomer zo vlak voor de kust, kon gebeuren zonder dat er, op welke wijze dan ook enige hulp geboden werd.
De ramp vond op woensdag 5 juli 1882 plaats ‘s avonds om ongeveer negen uur, op nagenoeg één geografische mijl WNW van de vuurtoren van Scheveningen. Pas op vrijdag 8 juli kreeg men door het aanspoelen van het eerste lijk – dat van de Helderse loods Duinker – het idee, dat er iets mis gegaan zou kunnen zijn. Tussen 8 juli en 8 augustus spoelden op de Hollandse, Friese en Oldenburgse kusten tal van lijken, reddingsboeien, wrakstukken en zwemvesten aan. De horloges die op de lijken werden gevonden, waren om ca. 21.10 uur stil blijven staan...

   

De Adder verging in 1882 voor de kust van Scheveningen. De ondergang kostte 65 bemanningsleden het leven. De lichamen dreven af en 28 drenkelingen werden in Den Helder aan wal gebracht en daar begraven. ,,De toenmalige burgemeester Stakman Bosse leidde een groep burgers die het initiatief nam om een monument te plaatsen’’, aldus J.T. Bremer van de Helderse Historische Vereniging.  Het monument raakte in de loop der jaren overwoekerd door planten. ,,De gemeente heeft op ons verzoek een tijdje terug het groen al weggekapt, want de steen was bijna niet meer te zien. Maar de letters zijn niet meer leesbaar. En dat is toch wel de bedoeling bij een monument. Bovendien zitten er nogal wat barsten in.’
Het oude deel van het Huisduiner kerkhof zal naar verwachting over enige tijd de status van rijksmonument krijgen. De gemeente, die verantwoordelijk is voor het onderhoud van de gedenkstenen, is bezig met een onderhouds- en beheerplan. Maar naar de twee bewuste monumenten zal nu al gekeken worden, aldus gemeentevoorlichtster R. Brandsma.
De ondergang van De Adder is historisch interessant omdat het leidde tot de oprichting van de kustwacht. Een reddingsactie bleef destijds uit vanwege gebrek aan communicatie.

 
Het rapport richt zich grotendeels op het feit of er wel voldoende bemanning aan boord was. Bij het vertrek uit IJmuiden waren dat 65 man, zeven officieren, 56 onderofficieren en minderen, een loods en een ’opvarende’ (een burger die zich in Hellevoetsluis moest melden als hofmeester bij de krijgsmacht). Allen vonden de dood.
Nu waren 65 man niet direct te weinig om het schip te kunnen varen, maar compleet was de bemanning niet.
 
In de Haagse Courant van 23 oktober 1936 staat het verhaal van de dan tachtigjarige H.W. Kunst, die ruim een halve eeuw eerder matroos 3e klasse op de Adder was: ”Toen wij in IJmuiden lagen, gingen wij passagieren met ons tienen. Gezamenlijk besloten we naar Mokum te gaan, om onze familie goedendag te zeggen. Wij liepen naar Amsterdam en daar zocht ieder zijn
kennissen op. Tezamen gingen wij volgens afspraak per trein naar IJmuiden terug, maar de schuit was weg. Daarom treinden we door naar Rotterdam en daar met een bootje naar Hellevoetsluis, waar we ons schip wel zouden zien. We meldden ons op het wachtschip. De commandant vroeg waar we thuishoorden. ”We benne van de Adder,” zeiden we, ”en zijn gaan passagieren om moeder goedendag te zeggen”. ”Wat hebben jullie een rare ziekte, dat leren jullie nooit af”, zei de commandant. ”Maar jullie mogen van geluk spreken, want de Adder is met man en muis vergaan...”
Was deze H.W. Kunst, de maat van Gerrit, wellicht ook nog een plaatsgenoot? (het zou zomaar kunnen de familienaam Kunst is tenslotte al generaities lang verbonden aan Makkum)
In het marineblad ”Alle Hens” (juli/aug. 1979) dat terugblikt op de ramp van ”De Adder” is echter sprake van twee kwartiermeesters, zeven matrozen en één ziekenverpleger die op 1 juli met verlof waren gegaan en zich in Hellevoetsluis weer aan boord moesten melden.
 
Het onderzoeksrapport noemt ook de onvolledige en onvoldoende bemanning. Met het laatste wordt bedoeld dat het de meesten ontbrak aan de nodige ervaring. Zelfs de commandant, luitenant ter zee der 1e klasse Simon van der Aa had nog nooit op een monitor gediend, evenals het geval was van zijn officieren en het overgrote deel van de bemanning. De aanwezige loods was niet bevoegd voor dit deel van de Noordzee en van de vaste tien vuurstokers waren er maar twee aanwezig. Eigenlijk ging alles mis wat er mis kon gaan. Het vertrek uit IJmuiden werd niet gemeld, zodat de officiële instanties niet wisten dat het schip op zee was. Pas op woensdag 12 juli, een week na de ramp, vermeldde het Departement van Marine de ondergang van het schip, compleet met de namen van de gehele bemanning, 65 koppen, die bij de ramp omkwamen.
 

De ondergang

Ooggetuigen, zoals Pieter Kuyt, zeeman in ruste en toen kastelein op het duin bij de vuurtoren in Scheveningen volgde het schip door zijn kijker. ’Hij was verbaasd een monitor te zien varen en constateerde dat het schip moeizaam tegen het tij invoer. Kuyt verwonderde zich over de koers. Het schip bewoog zich in een naad van het tij die men op Scheveningen ’zeeval’ noemt, en waarin het wegens het woelen van de zee kwaad varen is’. Om acht uur keek hij nog eens en zag dat het schip weinig opgeschoten was. Hij ging er vanuit dat men op zee zou wachten op de kentering van het tij. Uit een later op het lijk van luitenant ter zee Jonckheer gevonden briefje bleek dat: ’te 6 uren ‘s namiddags het schip weigerde met de schroeven te wenden’. Men kon dus niet terugkeren naar Ijmuiden.

     

Schipper Ary ’t Hart was omstreeks die tijd met zijn visschokker in de buurt en besloot polshoogte te gaan nemen bij het zwaar slingerde schip. Er werd geen assistentie gevraagd. Door de sterke stroom en tegenwind kon de visser niet terugkeren naar de Waterweg en besloot met het tij mee IJmuiden aan te lopen.
De ”Petronella Vierman” uit Katwijk passeerde om half acht ”De Adder”. De bemanning getuigde geen noodsignalen, twee onder elkaar gehesen vlaggen, te hebben gezien. Die waren wel gehesen toen omstreeks acht uur de Scheveninger bomschuit ”Twee Gezusters” op een halve kilometer afstand passeerde. De zeeën sloegen over de monitor, alleen de geschutstoren was nog zichtbaar. Men zag slechts één man aan boord, die echter niet om hulp riep. Schipper Den Dulk wilde niet zijn schrobnet verlaten, met de kans dat zijn hulp niet op prijs werd gesteld en hij met de schade van een nodeloos opgeoffert net zou blijven zitten.

        De door twee stoommachines voortgedreven ”Adder” (56,76 x 13,4 x 2,92 m.) was eigenlijk meer een zwaar gepantserde, van maar liefst 14 cm dik staal, drijvende batterij dan een zeeschip en gebouwd voor de bescherming van de Nederlandse riviermonden. Het schip was bewapend met twee getrokken voorlaadkanons van 23 cm (Armstrong) in één toren opgesteld, een kanon van 7,5 cm, een kanon van 5 cm, een kanonrevolver van 3,7 cm en een mortier van 12 cm.
Aan de voorzijde was het schip voorzien van een zware gietijzeren ram.
Het liep in 1870-’71 in Amsterdam van stapel en mocht eigenlijk alleen bij zomerweer, behoorlijk bemand en met voldoende voorzorgsmaatregelen, een korte tocht over zee maken. Daar hield men zich volstrekt niet aan. Al elf maal was een tocht van Amsterdam naar Hellevoetsluis gemaakt en zelfs negen maal een langere reis over zee. Bovendien oefende het schip regelmatig op de Noordzee.
 
 
 
Een half uur later, toen zij ten noorden van de monitor waren gekomen, zagen ze dat daar vandaan vuurpijlen werden afgeschoten. Ook toen werd geen poging gedaan om het vaartuig ter assistentie te komen. ’Wij dachten dat die vuurpijlen te
kennen gaven, dat de monitor eene sleepboot of een loods begeerde’. Bovendien vonden de vissers dat ze door de lopende vloed en de ZZW wind toch niet bij het schip konden komen. De vuurpijlen maakten plaats voor stakelvuur, witte en rode flambouwen. Toen er ’een vlamvuur dat zich in damp oploste’ werd waargenomen zeiden de vissers tegen elkaar: ”Nu zou het wel eens kunnen gebeuren dat zij aan hun eind zijn”. Er werd niets ondernomen, men stuurde ook niet naar de wal voor hulp maar viste gewoon door.
En zo bleef het vergaan van ”De Adder” en het omkomen van de volledige bemanning, op een zomeravond in 1882, slechts één mijl uit de kust onopgemerkt. Pas toen er lijken aanspoelden trok men er van alle kanten op uit.

O. Gielstra, okt. 2006

Artikel verscheen eerder in Aldnijs 41
maart 2007


                                                             

  Bronnen:
* Notities van Frans Polman (fam. van der Linde)
* Verslag aan den Koning van het onderzoek naar de vermoedelijke oorzaken    waaraan de zeeramp Zr. Ms. Rammonitor ”Adder” moet worden toegeschreven, uitgebragt door de Commissie benoemd bij ’s Konings besluit van 21 Julij 1882 no 1, ’s Gravenhage, ter algemene landsdrukkerij, 1882.
* Haagse Courant 23 october 1936.
* Alle Hens, 32e jaargang no 7, juli/aug. 1979.
 
 

Van ‘wagenaar’ tot beurtschipper
iets over de Makkumer familie van der Linde                                                 door O. Gielstra, okt. 2000 (uit Aldnijs 26)
 
(Krante)knipsels blijven een waardevolle informatiebron en herbergen vaak ook weer een eigen geschiedenis. Waarom werd het bewaard en door wie? Het navolgende artikel is zo’n voorbeeld. Zorgvuldig op portefeuille-formaat opgevouwen is het jarenlang meegedragen voor dat het aan de kant werd gelegd. De hele computer-trucendoos moest er aan te pas komen om het zichtbaar te maken.
 


Het is afkomstig van het schip ”de Nooitgedacht” van de in maart dit jaar (2000) overleden Jan van der Linde en verhaalt over zijn familielid Gerrit van der Linde Jasperzoon. Na wat omzwervingen is het bij Ald Makkum bezorgd.
Het dateert uit de eerste week van januari 1932 en komt uit een scheepvaartblad (Schuttevaar?).
Bijzonder is de vermelding van het beurtveer van Makkum op Amsterdam, waarvan ik meende dat deze sinds 1880, als geregelde dienst, niet meer bestond. Hier blijkt echter dat de genoemde Gerrit van der Linde in 1881 zetschipper werd op deze beurtvaart en dat in ieder geval vijftien jaar volhield. Het is een toevoeging op de activiteiten van de fabrikantenfamilie Maas, waarover eerder in Aldnijs werd geschreven. Zij worden genoemd als eigenaar van dit beurtveer.
Als aanvulling op het gevonden knipsel heb ik het AM-archief nageplozen wat er over de familie van der Linde te vinden is. Deze veelal losse aantekingen zijn verwerkt in de navolgende stukjes. Het vormt zeker geen compleet verhaal, maar wellicht kan iemand ons verder helpen.

  


Het Hasselteraakschip van Van der Linde de Nooitgedacht afgemeerd aan de Pruikmakershoek in juli 1942. (arch.nr. 9571)

 

Vijftig jaar schipper  (artikel uit januari 1932)

 


Gerrit van de Linde Jzn.

    Schippers vallen niet tot die groep menschen, die hun koperen en zilveren feest vieren en vervolgens ieder vijf jaren in de couranten gehuldigd worden - zij behooren tot de stillen in den lande, wier werken en zwoegen, wier prestaties en verdiensten onopgemerkt blijven voor het groote publiek. We willen echter voor heden een uitzondering maken voor een schipper, die deze maand zijn gouden jubileum als schipper zou vieren, voor schipper Gerrit van der Linde Jzn. van Makkum.
Op 18 October 1859 geboren, werd hij in januari 1881 - dus op 22-jarigen leeftijd - zetschipper op het vroegere beurtschip van Makkum op Amsterdam, de ”Estafette” groot 55 ton, van de heeren J.W. Maas & Zn., kalkbranders te Makkum.
Na 15 jaar kreeg hij een vaartuig voor eigen rekening, de ”Jonge Jasper”, waarmede hij in Augustus 1900, geladen met steenkolen, voor Makkum schipbreuk heeft geleden, waarbij het - niet verzekerde - schip, totaal verloren ging. Toen kreeg hij het 56 tons tjalkje van zijn vader ”De Liefde”, dat hij in 1904 verwisselen kon met het ijzeren tjalkschip ”Ambulant”, groot 104 ton, ‘t welk hij nog bevaart.

Zijn vaarroute was in hoofdzaak van Amsterdam naar Friesland en dan terug met aardappelen, kalk, enz. op Amsterdam of andere Zuiderzeehavens. Het is dus met recht een Zuiderzee-schipper, die al heel wat stormen en wederwaardigheden op dien grooten plas heeft meegemaakt.
Ook in zijn huiselijk leven bleven hem geen tegenspoeden gespaard. Tot driemaal toe moest hij een echtgenoote grafwaarts brengen, thans is hij weduwnaar, maar mag zich in het bezit van zes zonen en vier dochters verheugen, allen volwassen. Een tweetal meisjes stierven jong.

Al die jaren heeft hij zijn meestal karig, maar toch eerlijk stukje brood kunnen verdienen, al zal het thans wel moeilijk worden, doch daarover laat hij zich niet uit. Eigenlijk moest een schipper op dien leeftijd het zwalken kunnen opgeven en op zijn lauweren rusten, doch dat is voor de meeste schippers niet weggelegd.
Gaarne bieden wij met anderen hem bij deze echter onze gelukwenschen bij zijn gouden feest.
 
De tjalk ''Ambulant'' (104 ton) bij 't Kalfje te Amsterdam. Op het achterdek Antje Kramer, bij het roer Joukje van der Linde en links Truida van der Linde (toen 8 jaar oud).

 
 

De Buma’s, het Oera Linda Boek en de ‘bysfeinten’ van der Linde ...

Ds. Wumkes intervieuwde omstreeks 1931 de Leeuwarder architect H.H. Kramer, toen 81 jaar oud. Kramer, ondermeer ontwerper van de Makkumer Doopsgezinde kerk, kwam al vanaf zijn 13e jaar in Makkum en wist hem veel te vertellen over de Buma’s en van der Linde’s. Wumkes was zeer geïntresseerd in het Oera Linda Boek. Dit omstreden boek over de Friese geschiedenis zorgde eind negentiende eeuw voor grote opschudding onder de historici. Over en weer werden ‘pommeranten’ beschuldigd de vermeende auteur(s) te zijn.
Het gaat in dit verband te ver om hier uitgebreid op in te gaan. De naam van het boek verwijst naar de Friese familie Over de Linden. Toevalligerwijs(?) werd het gevonden door timmerman Cornelis over de Linden in Den Helder (1811-1874). De Makkumer geleerde Lieuwe Annes Buma werd ook tot een van de mogelijke bedenkers/schrijvers van dit werk gezien.* Dit verklaard Wumkes interesse in deze familie, mogelijk zag hij een verband met de Makkumer Van der Linde’s, en hoopte zo aanwijzingen te krijgen over de oorsprong van het Oera Linda Boek.
                                                                             * zie voor een uitgebreid artikel over de fam. Buma: Aldnijs 15/16 aug. 1996
 
 
De Buma’s van Makkum

Zij waren met z’n vieren. Sytse, Sijbrigje, Johannes en Lieuwe. De beide eerstgenoemden overleden zonder ooit getrouwd te zijn. Johannes en Lieuwe bleven met z’n tweeën over in het grote huis aan de Zijlroede. Er hing een waas van geheimzinnigheid rond deze mensen en al evenzeer over hun woning. De Buma’s bemoeiden zich niet veel met andere mensen. Daarvoor verschilden zij ook teveel met de gewone dorpelingen.
In het huis waren de ramen van Venetiaans glas, net zoals in het Fries Museum. Men kon vanaf de straat niet naar binnen kijken. De voordeur werd, als er iemand kwam, kort open gedaan om daarna snel weer te worden gesloten.
Johannes was wel de meest aparte. Geheel in zichzelf gekeerd. Hij was de eigenaar van de papiermolen die hij later verkocht aan de fa. Andrea aan de Tuinen te Leeuwarden.
  


Het Bumaslot geschilderd door Oene Romkes de Jong
(Makkum 1812-Amsterdam 1896)

 
Brand! (*) 

Rond 1863-64 raakte geheel Makkum in rep en roer. Jachten werden in brand gestoken en raakten volledig vernield, de dader werd niet gevonden. Binnen de dorpsgemeenschap circuleerde echter met grote stelligheid een naam.
Toen daarna een droogloods van de papiermolen volledig opbrandde, en enige tijd later een watermolen van burgemeester Britzel, een eindje buiten Makkum, afbrandde, kreeg men zoveel aanwijzingen dat Johannes de dader wel moest zijn. Hij werd vervolgd en veroordeeld.
Door deze daden kreeg hij veel vijanden onder de eerste stand: Tichelaar, Kingma, Britzel, Andrea allen zat hij voortdurend lastig. Dan weer met dit dan weer met dat, bijvoorbeeld met het pad naar de molen. Van de een op de andere dag liet hij deze toegangsweg volledig dichttimmeren met plankenschuttingen. Johannes Alta, de schilder moest er vreemde figuren opschilderen. Allemaal bedoeld om de heren de gek aan te steken. Johannes kon nu eenmaal niet met mensen omgaan.

Lieuwe was een boekenman, een geleerde. Hij was klein van gestalte en kleedde zich in rokkostuum met een hoge zijden hoed. Hoewel zeer eenkennig, wanneer hij iemand vond om mee te praten, en dat beviel hem, dan was zijn vriendschap volledig. Een interessante conversatie ging hij graag aan.
   


Boven de oliemolen van Kingma met links het schiphuis. Onder de papiermolen van Andrae, eerder Buma

Altijd droeg hij een boekje bij zich, kwam hij Kingma of een ander tegen, dan kwam dat boekje tevoorschijn en begon Lieuwe er uit voor te lezen.
De gewone man hield Buma echter voor niet goed wijs.
De Buma’s hadden de naam zeer rijk te zijn. Het gerucht ging dat Marten Kingma en notaris Verwer de executeurs-testamentair zouden zijn, maar het pakte anders uit. Notaris Verwer werd alleen aangesteld om de boedel te behandelen. Notaris Verwer vertrok later naar Bolsward. Evenals zijn zoon, de bekende ontginner-econoom Mr. Verwer te Wateringen op Zorgvliet, op de Friese grens, was notaris Verwer fanatiek katholiek.
   

Het gerucht wil dat de Buma-transactie de Verwers geen windeieren heeft gelegd.
Er moet veel onroerend goed zijn geweest, ondermeer te Smallebrug, onder Woudsend, hier werden de Buma’s ook begraven.
Wie waren de erfgenamen? De provincie kreeg een ton, hiervoor moest een prijsvraag worden uitgeschreven, en verder nog een aantal studiebeurzen.
Verder schijnt iemand uit Amsterdam, ene mijnheer du Crocqe een forse som te hebben gekregen. Volgens geruchte was dit een onechte zoon van Johannes.

 


*(noot) Brand!
De genoemde families, die te lijden hadden van de ‘streken’ van Johannes Buma waren allen op de een of andere manier wel verbonden aan de Heerensociëteit. Zonder twijfel is dit avondenlang het onderwerp van gesprek geweest. In de notulen is hier echter niets over terug te vinden.
In het overzicht ‘175 jaar Sociëteit Eendragt’ (bijlage Aldnijs 13/14 / april 1996) wordt in de feestrede van 1920, bij het 100-jarig bestaan van de sociëteit, op de volgende wijze melding gemaakt van deze gebeurtenissen - ”Er gebeurden allerhande wonderlijke, miraculeuze zaken in Makkum. Dat er molens verbrandden, ofschoon ze stil stonden en dus niet warm konden lopen. Dat er een schip en een schiphuis in vlammen opging, ofschoon er geen mijnen in het water dreven of torpedo’s werden gelanceerd. Dat er midden in de nacht een lijn over de Waagsteeg bleek te zijn gespannen, opdat, of laten wij zeggen, zodat een daar passeerend sociëteitslid een goede gelegenheid kreeg zijn nek te breken. Dat er tenslotte, met flinke krijtletters allerlei orakelspreuken verschenen op het huis van een zeker lid, die met deze orakeltaal stellig niet bijster ingenomen geweest zal zijn”.......

Feestredenaar Jan Tichelaar, verhaald in 1920 op luchtige toon over de gebeurtenissen en laat ons in het ongewisse over het hoe en waarom van de acties. Ook een dader wordt niet genoemd. Het is dan ook al 55 jaar geleden, en de meeste aanwezigen zullen het niet bewust heben meegemaakt. Maar toch! Was het uit piëteit met de dader? En is het uiteindelijk wel tot een veroordeling van Johannes B. gekomen? Het speelde zich af in 1863-64. Hij overleed nog geen jaar later in 1865.
   
Enige heren van Sociëteit Eendragt gezeten op de bovenzaal van Hotel De Prins. Bijeenkomst ter ere van de benoeming tot candidaat-notaris van Reinder Jollema op 2 nov. 1916.
 

interieur NH Kerk ±1950
    Ds. J.G. Kruisinga
(Dominee te Makkum van 1823 tot 1872)

In die dagen stond het er met het kerkelijk leven in Makkum niet al te best voor. De oude dominee Jan Gerhard Kruisinga, een Groninger, hield jaar in, jaar uit dezelfde preken, dezelfde gebeden en liet bovendien steeds weer dezelfde psalmen en gezangen zingen.
Een ieder wist van te voren al wat er zou komen en geen woord werd er veranderd. Was het nieuwjaar dan keerde dominee het stapeltje om en begon vrolijk opnieuw.
Voor de kerkverlichting gebruikte men kaarsen, op een oudejaarsavond werden voor het eerst petroleumlampen ontstoken, dat was nieuw in Makkum. Men was dan ook reuze benieuwd hoe Kruisinga dit verschijnsel zou oplossen, want in zijn oudejaarspreken sprak hij altijd over het ‘flikkerend kaarslicht’, dat kwam zo in de preek te pas. En, zie, hoewel de petroleumlampen lustig brandden, kwam hij ook deze keer weer met de flikkerende kaarsen op de proppen.
 
De gebroeders van der Linde

Ondanks de volhardendheid van ds. Kruisinga, viel over het algemeen het kerkbezoek niet tegen in Makkum. Al mag het duidelijk zijn dat dergelijke zaken het kerkelijk leven niet veel goeds deden.
Wie daar al helemaal niets van moesten hebben waren de gebroeders Teake Jaspers en Gerrit Jaspers van der Linde. Zij waren schippers van de oude stempel, met een gouden hals-knoop en gouden ringetjes in de oren.
De van der Linde’s bevoeren de beurtdienst op Amsterdam en Holland, ze brachten b.v. hooi naar de Haarlemmermeer, waar Mulier, gehuwd met een Albarda burgemeester was.
Het waren aparte types, heel anders dan de meeste Makkumers, echte deugnieten ook. Teake kon prachtig vertellen, als hij aan het woord was hing men aan zijn lippen. Van de kerk moesten zij echter niets hebben. Teake woonde bij de Waag in een huis met een trapgevel en met engelenkopjes. Om zijn hartgrondige hekel aan het kerkvolk te tonen, beschilderde hij een keer, in de nacht van zaterdag op zondag, de engeltjes aan zijn gevel en gaf ze rood haar, snorren en baarden. Alleen maar om de kerkgangers te plagen
   


Beurtschip naar een prent van G. Groenewegen (1789)


Jasper de Sabbatist

Op de latere nazaten had dit kennelijk weer een geheel andere invloed.
Een zoon van Gerrit van der Linde was Jasper die Sabbatist werd. Wanneer het vrijdagavond was gooide hij het anker uit, want de zaterdag was voor de Here. Zijn kinderen kregen oud-testamentische namen.
Boze tongen beweerden echter dat het Sabbat vieren, hem totaal geen schade opleverde, aangezien zijn knecht zondag hield kon het schip dus een zevendaagse werkweek maken.
Dit schip had de naam ”de Liefde” , en had als devies: ”De Wet is Waarheid”.
De oud-testamentische namen leverde zijn nazaten in de tweede wereldoorlog nog tal van moeilijkheden op. Zij moesten bijvoorbeeld een z.g. Arierverklaring kunnen overleggen bijvoorbeeld bij een huwelijk.
De vrouw van Jasper Gerrits van der Linde was Tereze Maria de Boer, stammend uit een oud Frans geslacht. Een voorouder van haar was Gerardus Bruining, in 1790 Mr. Zilversmid te Makkum. Werk van deze zilversmid is bewaard gebleven o.a. in het Fries Museum.
Jasper en Tereze, behoorden in Makkum tot het zogenaamde Reveil, een goddienstige beweging onder leiding van Evert Teves. Er waren maandagavond bijbelkringen o.a. genaamd ‘de moeders van Israël’. Uit deze stroming ontstond ook de Christelijke Nationale School in Makkum, opgericht in 1863. Een van de zoons werd Jasper Israël genoemd.
   
De Riege was het domein van de veerschepen. Aanleggen was alleen mogelijk als men een huis aan dit water bezat.  Vleesch- en Appelmarkt, maar ook de Pruikmakershoek waren daarom zeer in trek bij de veerschippers.
 
Cornelius van der Linde

Jappe (geb. 1836) vertrok naar Amsterdam en dreef daar een grote aardappelhandel aan de Prinsengracht. Hij schonk de Nieuwe Kerk daar een bijbel, die nog lang bij huwelijksdiensten werd gebruikt.
Van zijn kinderen werd Luitzen (Lucas) kunstschilder, hij stierf helaas op jonge leeftijd. Klaaske en Cornelius vertrokken naar Afrika, waar Klaaske huwde met een kartonfabrikant. Cornelius van der Linde was ten tijde van de boerenoorlog assistent van Paul Kruger. Hij werd later president directeur van de Koninklijke Java China Pakketvaart Mij. in het voormalige Nederlands Indië. Hij was mede oprichter van de Kon. Ned. Indische Luchtvaartmij. en was raadsman van de Gouverneur Generaal.
Koningin Wilhelmina benoemde hem in 1920 tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw.
Ook deze Cornelius was zeer rechtzinnig, hij wilde de hele vloot van de KJCPM op zondag stilleggen, dit strookte niet bepaald met de veel geroemde Hollandse koopmansgeest en kreeg derhalve geen bijval.
Wel zorgde hij ervoor dat de familiebanden werden aangehaald door familiedagen te organiseren in Amsterdam en stamplaats Makkum.
De in maart van dit jaar (2000)?overleden Jan van der Linde wist te vertellen dat Cornelius omstreeks 1930 een groot feest gaf op de Prins voor zijn familie. Tijdens dit bezoek stelde hij serieuze pogingen in het werk om de voorouderlijke woning aan de Pruikmakershoek te kopen.
Daar woonde toen timmerman Sietse Visser. Achter het pand, grenzend aan het Vallaat had hij zijn timmerwerkplaats. (zie foto onder*)

De onderhandelingen met Visser verliepen in eerste instantie voorspoedig. Visser, die behalve van het genereuse feestmaal op de Prins, ook vernam van v.d. Linde’s verdiensten in de Oost, schroefde zijn eisen steeds hoger op. Toen de zaak bijna rond was bleek opeens de bijbehorende steeg niet meer bij de prijs inbegrepen. Cornelius, vond het nu welletjes en haakte woedend af.

   


Pruikmakershoek 4


(arch.nr. 3494) Tweede pand van rechts: de timmerwerkplaats van Visser aan de Pruikmakershoek. * In 1929 brandde de werkplaats van Visser op de Pruikmakershoek onder verdachte omstandigheden af en zorgde voor de opheffing van het timmerbedrijf van Visser. Deze startte toen een hoenderfokkerij op de Braak in de voormalige loodsen van de kalkbranderij van Maas, de latere brandstoffenhandel - thans garage van Horjus. Nog lange tijd getuigden een groot aantal kippenhokken achter de loodsen van deze activiteiten.
 
Wagenaar

De familie van der Linde kan met recht een Makkumer vervoerdersfamilie worden genoemd. Eerst over land en daarna over het water
De oudst gedateerde naamsvermelding in de kerkboeken stamt uit 1686.
Daarna komen we maar mondjesmaat de naam v.d. Linde tegen, maar gebruikt men soms de toevoeging Wagenaar als familienaam.
In 1709 treffen we in de derde generatie ene Douwe Harmen Wagenaar aan. Hij is dan 32 jaar en huwt Antje Jans te Makkum. Zijn beroep is ‘wagenaar’, zeg maar beurtman. Met paard en wagen verzorgt hij personen en goederenvervoer.
Er waren beurtdiensten op Harlingen, Witmarsum, Workum, Hindeloopen en Staveren. Voor de wagenaars in Makkum werd in 1730 zelfs een eigen reglement opgemaakt. Vaak gebruikten zij een eigen huismerk om goederen te merken. Van Douwe Harmens is deze bewaard gebleven.
Zijn zoon Harmen Douwes, die weer de achternaam van der Linde gebruikt, ?huwt in 1735 op 23 jarige leeftijd met Antje Gerardus Binsonides, een dochter van de Meester Schooldienaar van Makkum. Een beroep dat ook zijn vader al ter plaatse uitoefende, al was deze tevens dorpsrechter, curator van het weeshuis en administrator der geestelijke goederen. Bovendien had hij een van de twaalf stemmen in de Grietenij van Wonseradeel.
Harmen Douwes huwelijk leek nog te stranden, want hij raakte in een curieus proces verwikkeld. Hij werd aangeklaagd wegens vermeende trouwbelofte aan een andere Makkumer schone. Ds. Lemstra, een van de Makkumer predikanten,* getuigde ten gunste van hem en zo stond niets het huwelijk van deze beurtman met zijn Antje meer in de weg.

   


Het merkteken van 'Wagenaar' Douwe Harmens.

* Ds. Lemstra kwam in 1696 als kandidaat en overleed  
   in 1742 te Makkum.

 
O. Gielstra, sept. 2000 (artikel uit Aldnijs 26)
 
bronnen: Aantekeningen van H.H. Kramer opgetekend door ds. G.A. Wumkes (orig. Fryske Akademy) vrij vert.    uit het Fries / O.G.
Bolswards Nieuwsblad: artikel van J. v.d. Linde / sept. 1970.
De historie gaat door het eigen dorp / deel 2: A. Algra
De Makkumer kerk van 1660 tot 1910: Dr. G. Smit / 1910.
 
 

Index pagina

Vorige pagina

 

Histoarysk Wurkferbân Wûnseradiel