Schettens-uit de serie de historie gaat door eigen Histoarysk Wurkferbân Wûnseradiel

 

Uit de serie, de historie gaat door het eigen dorp.

Ale Algra schreef "De Historie gaat door eigen dorp",  I, II, III (1955, 1956, 1957), een bundeling van stukken die hij wekelijks schreef in het Friesch Dagblad over de geschiedenis van Friese gemeenschappen. Hij ontving daarvoor in 1960 de Joost Halbertsmaprijs.

De serie bestaat ook uit de delen 4,5 en 6. Bekend is, dat het werk overgenomen is door een andere schrijver. Deze informatie moet nog verder worden uitgezocht.

SCHETTENS EN LONGERHOUW 

Schettens en Longerhouw zijn door de schrijver in één artikel behandeld.

De beide  dorpen,  die  nu  aan  de beurt  zijn,   behoren  tegelijk behandeld te worden, want  geestelijk en kerkelijk zijn ze al eeuwen een  tweeling geweest. Vandaag de dag zijn ze het nog. Schettens heeft daarbij in zekere zin het  eerstgeboorterecht. Het is ook het grootst, maar Longerhouw kan er zich op beroemen, dat de pastorie van de Hervormde predikant de eeuwen door binnen zijn frontieren heeft gestaan. Beide dorpen zijn al op jaren. De terpen wijzen daar op. Ik moet er direct bijvoegen, dat er van deze  arbeid der vaderen niet veel meer over is. De  meesten zijn afgegraven, alleen die, waarop de  kerken en de „buorren" zijn gebouwd, voor zover er in Longerhouw althans van buorren gesproken kan worden, zijn gespaard. De overige hoogten moesten dienen, om schrale gronden elders te verbeteren. Bij het afgraven zijn verschillende vondsten gedaan. Ik wil hier wijzen  op twee prachtige voortbrengselen van aardewerk, een sierlijke geometrisch versierde pot op Bittens  gevonden en een zgn. gladde gesmoorde pot.  Beide zijn een aanwinst voor het Fries museum  geworden. Natuurlijk kwamen er ook geraamten te  voorschijn en voorwerpen voor huishoudelijk  gebruik. Boeles, die prachtige afbeeldingen van de  potten in zijn „Friesland tot de 11de eeuw" geeft,  dateert beide uit de eerste of tweede eeuw na  Christus. Een bewijs dus, dat hier een kleine 2000  jaar geleden al Friezen woonden. Nu ik het toch  over vondsten heb, wil ik ook nog meedelen, dat  een arbeider ruim 100 jaar geleden bij het graven  van een dam een gouden munt vond, waarop de  beeltenis van Rudolf van Diepholt, bisschop van  Utrecht, voorkomt. Deze kerkvorst regeerde  omstreeks 1430 en had als tegencandidaat Zweder  van Kuilenburg. Er waren in die tijd twee pausen  (de tijd van het Schisma) en beiden hadden een  bisschop aangewezen voor het Utrechtse Sticht.  Hield men het in deze delen van Friesland met de  paus van Avignon, die Rudolf benoemde? De munt  zou er op kunnen wijzen. De naam Schettens komt,  voor zover bekend, voor het eerst voor in een schenking van 855 aan het klooster Werden in  Duitsland. Er wordt dar van Scettanfurthi  gesproken. Wat dat furthi betekent? Ds. van Tuiner  zoekt misschien terecht verband met voorde, een  plaats waar men door het water trok (zoals in  Koevorden en Amersfoort). Er was in die tijd nog al  wat water in deze streken. Ten zuiden van  Schettens liep een slenk, die de Marne heette en  die later door de Marnedijk, thans grotendeels nog  als verkeersweg in gebruik, werd „bedwongen". De  Schraarder vaart is een herinnering aan die  „zeearm". Mag misschien de naam van de boerderij  „het Fort" er ook nog mee in verband gebracht  worden? Niemand kon opheldering geven over  deze naam. Aan een versterking zal toch zeker niet  gedacht mogen worden? De kerk te Longerhouw  dateert volgens de Monumentenlijst uit de 13de  eeuw, al is er door latere verbouwing vrijwel niets  van het oude godshuis overgebleven. Dit moge voldoende zijn om aan te tonen, dat  Schettens en Longerhouw en de buurtjes en terpen  er om heen, zoals Bittens, Sotterum, Bruindijk. 't Fort  en 't Groothof van Schettens al lang bewoond zijn  geweest. 


Kerk Longerhouw. Gewassen inkttekening. Auteur onbekend. Stichting Ald Makkum 31311 

Afzonderlijk moet Osinga-state worden genoemd.  Thans (1)  is het een kapitale boerderij, eigendom van  de heer D. Postma en bewoond door zijn  schoonzoon, de heer A. v. d. Meer, die behalve  boer drs. in de economie is. Eertijds was het een  stins met dubbele gracht, die gebouwd is door  Sybrand van Osinga, grietman van Wonseradeel.  Zijn voorzaten hebben hier ook al gewoond, zoals  blijkt uit de zerken in de kerk van Schettens. We  zullen dan misschien ook het best doen. door te  spreken van een herbouw of uitbreiding van het  Osingahuis door grietman Sybrand. Seerp van Osinga, die in 1551 overleed, en zijn  vrouw Jel Heerema, die in 1562 haar man in de  dood volgde, hebben samen een zerk. Het zal hun  zoon Jancke of Jaucke van Osinga geweest zijn,  die in 1580 grietman van Wonseradeel werd. Zijn  voorganger, die de Spaanse zijde hield, nam de  wijk en daarom kreeg Osinga, die een aanhanger  was van de partij van de vrijheid, het ambt. Hij  kreeg de commissie van de Koning van Spanje,  wordt er bij vermeld. Dit lijkt op het oog heel  vreemd, maar wij moeten in het oog houden, dat  Filips II nog niet was „afgezworen". Dat zou eerst  een jaar later gebeuren en tot pl.m. 1580 hield men  nog aan de fictie vast, dat de Spaanse koning de  wettige heer was en allerlei benoemingen en  besluiten werden op zijn naam gesteld, zonder dat  de goede man er ook maar enige weet van had. Zo  is het meest frappante voorbeeld, dat de  Calvinistische universiteit te Leiden in 1575 in naam  van de grootste vijand van het Calvinisme is  gesticht. De nieuwe grietman heeft zijn functie maar drie jaar  vervuld. Hij overleed in 1583 en werd opgevolgd  door zijn zoon Seerp Osinga, genoemd naar zijn  grootvader, die echter reeds in 1589 stierf. Ook hij  ligt evenals zijn vader en grootvader in de kerk van  Schettens begraven. Dan volgt de tweede zoon  van Jancke van Osinga, de reeds genoemde  Sybrand. Hij bekleedde het ambt tot 1623. Van de  Osinga's is hij wel de belangrijkste geweest. In zijn grietenij deed hij  veel voor de waterstaat. Vele tochten en sloten  werden gegraven om de afwatering te verbeteren.  Maar ook in het gewestelijk en landelijk bestuur  nam hij zijn plaats met ere in, als dijkgraaf, lid van  Gedeputeerde Staten en lid van de Staten- Generaal. Hij is gehuwd geweest met Atke van  Aggema en eerder met Luts van Scheltinga. Een zeer fraaie zerk dekt het graf van hem en zijn  tweede vrouw. Hun afbeeldingen staan bijna  levensgroot op de zerk. Hij is afgebeeld als  krijgsman met de hand rustend aan het zwaard, „zij  heeft de handen gevouwen onder biddend opzien  met het gelaat vol uitdrukking". Op het blad van het  attribuut van de dood, de zeis, staat: „Aanziet de  Tyt". En verder staat aan de voet van de  afbeeldingen:

So gy benyt De corte tyt
Die ick heb geleeft 
Fliet jolyt. Sonder respyt 
di tot Godt begeeft.

Op een andere steen staat deze belijdenis: 

Gode heb ick geleeft,
Gode ben ick gestorven,
Door Christus is my 't eeuwig leven
Verworven......

In het geheel zijn er 16 zerken, de meeste van  Osinga's, o.a. van Anna van Osinga, Beits van  Osinga, weduwe van Sytte van Hania en verder  van Schelte van Aysma en Tymck van Osinga. Osinga-state is door dit huwelijk van Schelte van  Aysma en Tymck van Osinga in de familie van  eerstgenoemde overgegaan. Men zou het  concluderen uit het feit, dat in 1722 Hotze van  Aysma op Osinga woonde. Sybrand is als grietman  niet door zijn zoon opgevolgd. Hij had wel een  mannelijk oir, maar deze Syts of Sytse werd  grietman van Doniawerstal en vestigde zich te  Langweer, waar ook zijn zoon Sybrand, genoemd  naar zijn grootvader, resideerde. Op den duur is Osinga tot boerderij vervormd,  waarschijnlijk omstreeks 1743. Het is verschillende  malen verbouwd, b.v. in 1861, toen Y. C. de Haas  er woonde en ook nog in de periode van de tegenwoordige eigenaar. De brede gracht en het grote  erf wijzen nog op de „voorname afkomst". Bij de  verbouwingen kwamen steeds grote hoeveelheden  oude steen te voorschijn en in zijn vorige gedaante  had de foarein zeer brede deuren en dikke muren  met schietsleuven. Mevr. Postma toonde me nog  een scherf, die pas gevonden was, die het jaartal  1581 droeg. Het zal van een kruik of bierpul  geweest zijn, waaruit eens Jancke, Seerp of  Sybrand hebben gedronken.


Osinga state onder Schettens, behoort den heere Hotse van Aisma. Tekening Jacob Stellingwerf, 1722
Stichting Ald Makkum: 9861

Op Filens woonden  tenslotte mannen uit het vermaarde Aylva-geslacht,  maar dat is bij Witmarsum al ter sprake gekomen.  Dit Filens is, zoals me door een vriendelijke  ambtenaar van de gemeente werd meegedeeld,  eerst veel later bij Schettens gekomen, zodat de  bewoners zich niet kunnen beroemen op het feit, dat er ook, — althans  mannelijke — Aylva's binnen hun dorpsgebied  hebben gewoond. De op het kaartje nog aangegeven boerderijen  Groot- en Klein Marwerd en Groot- en Klein-Klaver  vallen binnen de klokslag van Bolsward en zijn  alleen maar volledigheidshalve opgenomen. 

Kerk te Schettens, 1722.
Vermoedelijk gemaakt door Jacob Stellingwerf.
Stichting Ald Makkum 31329

Schettens en Longerhouw zijn de eeuwen door  steeds klein gebleven. Zo had Schettens in 1749  slechts 90 inwoners van wie er 56 op 12  boerderijen woonden. Longerhouw had er nog  minder. De heer de Jong heeft indertijd hun namen,  werkzaamheden en inkomsten eens in de  Bolswarder Courant gepubliceerd. Het blijkt dan,  dat evenals nu de landbouw het middel van  bestaan was, of beter gezegd misschien de  veeteelt. Dat is vrijwel gelijk gebleven. Beide  dorpen leven van het land. Schettens had vroeger  15 stemmen, Longerhouw 9. Er zijn nu in de  omgeving nog flinke boerderijen, sommige al heel  lang bewoond door een bepaalde familie. Als  voorbeeld noem ik een plaats op Bittens, die  voorheen bezit was van de kerk te Schraard, maar  die in 1796 door de familie Scheepsma werd  gekocht en die nog door een Scheepsma wordt  bewoond. Zo zijn er wel meer voorbeelden van  „hokvastheid". In 1840 wordt opgegeven, dat er te  Schettens (met Bruindijk mee) 26 huizen stonden  met totaal 140 inwoners. Longerhouw kon de 100  nog niet halen, want voor dit dorp staat het getal 90  genoteerd. In 1958 staat achter Schettens 318 en  achter Longerhouuw 140. Er is in de laatste 100  jaar dus groei geweest, maar de mogelijkheden van  uitbreiding zijn door het agrarisch karakter zeer  beperkt. Schettens ligt aan het vaarwater van  Witmarsum naar Bolsward, Longerhouw niet ver  van dat tussen Makkum en Bolsward. Vooral het  kleine Longerhouw lag nogal geïsoleerd, maar toen  in 1857 de weg van Schraard langs Longerhouw  naar de Marnedijk werd verhard, kreeg het beter  verbindingen. De tram langs de Marnedijk bracht  nog meer vertier. Het Schettenser groothof — op  oude kaarten reeds als hof aangegeven, en later  een herbergje rijk — werd tramhalte. Maar de tram is  verdwenen en langs de nieuwe rijksweg, die  Bolsward en Sneek met de Afsluitdijk verbindt,  rijden nu de bussen, die de bewoners, die er op uit  willen, in korte tijd naar de beide steden of naar  Holland voeren. 

Ik wees er al op, dat in de 13de eeuw te  Longerhouw een kerk werd gebouwd. Dat is dus  700 jaar geleden. In 1757 was deze kerk bijna  onbruikbaar en vervallen. Daarom werd zij geheel  ommetseld en vernieuwd, ook inwendig, zodat van  het oude gebouw praktisch niets anders overbleef  dan de fundamenten. De 24ste april 1757 kon de  kerk weer in gebruik worden genomen. Dit  geschiedde in een dienst, geleid door ds. Joh.  Lantens, die bij die gelegenheid sprak over  Zacharia 1 : 16. De toren met zadeldak is  gebleven, hoewel ook hieraan heel wat gedokterd  is. Volgens sommige deskundigen is hij zelfs daarbij  ernstig geschonden. De zadeldaktoren van  Schettens heeft geen stand gehouden. In de vorige 211 eeuw, toen het mode werd om de oude Friese  torens door vaak stijlloze spitse gevaarten te  vervangen, is ook het offer aan de mode gebracht,  te Schettens. Misschien was de oude toren ook wel  bouwvallig geworden. In 1816 althans werd hij  afgebroken. Voorlopig nam men in het dorp  genoegen met een houten spitsje, in de trant als dat  in Exmorra. Maar in 1877 werd een „echte" toren  gebouwd, de tegenwoordige, terwijl in 1865 de kerk  geheel werd vernieuwd. In een gevelsteen leest  men: De 24 July 1865 is de eerste steen aan deze  kerk gelegd door Hendrik Tjeerds de Jong, als  kerkvoogden waren Tjeerd D. de Jong, Jan D. de  Boer, Auke I. de Witte en als predikant D. J.  Westerloo. We zullen drie van deze namen wel  meer tegenkomen. Als merkwaardigheid kan nog  vermeld worden, dat in Schettens in de toren nog  een helm en degen bewaard worden. Vroeger  schijnen er ook pieken geweest te zijn, maar deze  tekenen van strijd zijn uit het huis des vredes  verdwenen. De baar van Longerhouw is  merkwaardig door een versje, dat er op geschilderd  staat en dat afkomstig is van Broer Johans van  Abbema: 

De doodsbaar gaat niemand, o Heer, voorbij,
't Is  jong of oud, ook wie hij zij. Waak steeds
en bid en  wees bereid Voor 't naderen van de
eeuwigheid. 

En verder is de preekstoel in Longerhouw een  juweeltje van snijwerkkunst. Op de vijf panelen is  als het ware het geloof in de levende Heiland  afgebeeld: Zijn geboorte, kruisiging, opstanding,  hemelvaart (of de uitstorting van de H. Geest), en  wederkomst. 

In de Roomse tijd had elke kerk een eigen herder of  herders. Het kleine Longerhouw had zelfs een  pastoor en een vicaris, van wie de een 110 en de  andere 80 goudguldens per jaar verdiende. Erg  druk zullen ze het niet gehad hebben. Ook  Schettens had meer dan één geestelijke. Na de  Reformatie werden de beide dorpen kerkelijk gecombineerd en dat is zo gebleven tot de huidige  dag. „'t Moat sahwet lyk op as twa út deselde pot  tarre", zei een 50 jaar geleden iemand tot  Hepkema, toen hij de dorpen bezocht, en  inderdaad betaalden lang (nog?) de kerkvoogden  van elk dorp de helft van het domineestractement.  Mej. Scheepsma toonde me nog het klad van een  soort beroepsbrief van een 100 jaar geleden,  waarin dit „half om half" werd vastgelegd en tevens  bepalingen waren opgenomen omtrent de  kerkvoogdijwagen en het vervoer van de dominee  naar Schettens, als hij daar preken moest of  wanneer hij ter classisvergadering werd geroepen. Er zijn nu nog twee kerkvoogdijen, maar er is één  kerkeraad en de ene zondag worden twee diensten  te Schettens, de andere twee samenkomsten te  Longerhouw gehouden. De pastorie staat, zoals ik  al opmerkte, te Longerhouw. Op borden zijn in Schettens de namen van alle  predikanten, die de gecombineerde gemeenten  hebben gediend, vermeld. Naar ik meen is dit het  werk van wijlen Roedema, een man die veel van  de historie van Schettens en Longerhouw wist. Hij is enkele jaren  geleden gestorven(2), en het is te hopen dat zijn aantekeningen worden  bewaard. De eerste predikant, die omstreeks 1600 het  Evangelie der Reformatie predikte, was Willem Jurjens, of Wilhelmus Georgiï,  zoals hij zich naar de geest van die tijd noemde. Het is niet nodig om al de predikanten, die hem zijn  opgevolgd, te vermelden.

Vaak zijn het figuren, die verschijnen en ook weer  heel vlug verdwijnen. Sommigen bleven maar twee  of drie jaar. Ik doe dan ook maar een greep. Na ds.  Jurgens kwam Joh. Schotanus, een loot uit het  geslacht, dat in de 17de eeuw heel bekend  geworden is in ons gewest. Ds. Petrus Eilhhemius  en zijn broer Abraham Daniël Eilshemius waren uit  Oost-Friesland afkomstig, waarheen hun vader in de dagen van Alva was gevlucht. Naar het dorp Eilsheim in het Embder gebied hadden de vader en de zoons zich genoemd. De broers dienden de kerk  van Schettens-Longerhouw resp. van 1620—1623 en 1624— 1627.  De opvolger, Corn. Fabius, stond hier van  1631—1643. In laatstgenoemd jaar werd. hij gedwongen emeritus, volgens sommigen wegens  kindsheid, volgens anderen omdat hij blind geworden was. Hij kreeg nog een jaar salaris en moest in 1644 de pastorie ontruimen. Dan volgen vier predikanten, die alle vier in  Longerhouw zijn overleden, n.l. Eteus Terwold  (1644—1668), Jacobus Steenwijk, die het 57 jaar  volhield (!), n.l. van 1685—1741, ds. Joh. Lantinga,  die wij al ontmoetten als „kerkinwijder" van  Longerhouw (1743—1785) en ds. Joh. SardonJ  (1786—1809). Ds. Joh. Aggeues Lemke volgde  laatstgenoemde op in 1809 en bleef tot zijn  emeritaat in 1834. In 1841 kwam kandidaat Theodorus Coenraad  Koek Belanus van Assen (Assen behoort ook bij de  naam), die in 1847 naar Arum vertrok. Hij behoorde  — evenals zijn voorgangers — tot wat men graag noemde „liberale" richting, wat in de praktijk  neerkwam op het propageren van de theologie van  prof. Hofstede de Groot, een richting, die „de  verheven zedeleer van Jezus" in de plaats schoof  van het Evangelie der verzoening. Maar dan komt na het vertrek van de dominee met de lange naam een jonge kandidaat, Jan Wouter  Felix. Hij was in 1824 te Leiden geboren en ontving  in zijn geboortestad ook zijn theologische opleiding.  Het was in een tijd dat op de universiteiten openlijk  de afkeer van de orthodoxie werd geleraard. Eén der professoren, van wie de student Felix  onderricht kreeg, sprak: „Goddank, mijne heren,  binnen 25 jaar is de laatste van de domme  orthodoxen gestorven en zijn we ze allemaal  kwijt". Hij zal niet gedacht hebben dat er onder zijn  studenten één zat, die van onberekenbaar veel  zegen is geweest voor de instandhouding van de  oude waarheid, die in Gods hand het middel is  geweest, dat in een groot deel van Friesland nieuw leven kwam. Op 23-jarige leeftijd deed hij zijn intree te Longerhouw en Schettens. Ds. Knap van Heeg  bevestigde hem en men leze maar eens na de  humor van dr. Wumkes, als hij de heen en terugreis  van Ds. Knap met Baukebaas beschrijft. Al spoedig ging er een geweldige roep van de  jonge dominee uit en van heinde en ver kwamen  de heilbegerigen, die thuis stenen voor brood  kregen. Elke zondag zag men wagens, soms met 16 mensen er in, en een groot aantal sjezen en andere voertuigen. Er was geen herberg en daarom  sloeg men uit bij een paar boeren. In twee  koffiehuizen bleven de kerkgangers van elders  over. Vaak moesten ze buiten zitten en „simmerdei  klonk ljeaflik dan fan ûnder de apelbeammen it  psalmsjongen oer it gea". 

Ds. Felix maakte die naam niet door grote  welsprekendheid, maar hij zocht zijn kracht in het  eenvoudige evangelie. Leraar en gemeente  eenvoudig, arm en deemoedig aan de voet van  het kruis! Dat was zijn devies. Dr. Wumkes vertelt, dat hij zelf later Longerhouw zijn tweede academie noemde, niet alleen omdat hij hier veel studeerde in de beste gereformeerde schrijvers, maar ook omdat  hij gevormd werd door de omgang met mannen als  Jan Piers Eringa van Edens, Sjoerd Vellinga   


Kerk Longerhouw, 1722. Vermoedelijk gemaakt door Jacob Stellingwerf. Stichting Ald Makkum 31313

van Hennaard, Dirk Noordmans van Allingawier en  de beurtschipper Rinse Kracht uit Leeuwarden. In 1851 vertrok hij naar Opheusden, maar geen twee jaar later was hij al weer in Friesland en volgde ds. Knap te Heeg op. Toen is op zijn initiatief te  Leeuwarden de Vereniging van de Vrienden der  Waarheid opgericht (21 sept. 1854), die van zo ontzaglijk grote betekenis is geweest voor het  Réveil in Friesland. Men leze en herleze toch het  boek van dr. Wumkes over deze periode, over de  mannen, die op het gebied van kerk en school de  strijd aanbonden met de „tijdgeest" en bijzonder  over het werk van ds. Felix in dezen. Hij en zijn  vrienden kwamen op tegen de verachting van de  belijdenis der vaderen, die zo duidelijk uitkwam bij  het beroep en de intrede van dr. Meyboom van  Groningen in Amsterdam, de directe aanleiding tot  de actie van Felix. 

Ds. Felix werd opgevolgd door ds. W. Sijpkens, die  met zijn broer G. J. Sijpkens ook een steunpilaar  van de Vereniging van de- Vrienden der Waarheid was. Hij is echter reeds na twee jaar naar Scharnegoutum vertrokken. En toen kregen Schettens en Longerhouw weer een ,liberale'  dominee, n.l. D.J. Westerloo. Het was nog in de  tijd van de florenen en de „ligging" van de  grondbezitters gaf de doorslag bij de beroeping.  Verrassingen waren dan ook niet uitgesloten. Baron van Palland Keppel, die veel grond in Schettens  bezat, had een grote invloed en hij was niet op de  hand van de actieve orthodoxen. Zo verklaarde hij  zich tegen elke subsidie van de kerk aan een  Christelijke school en als hij dit verklaarde, dan  was men haast zeker van een nederlaag als het  verzoek zou komen. Ds. Westerloo was ook tegen de Christelijke  school, die in zijn dagen toch tot stand kwam, zoals  we nog zullen zien. Maar al had men dan nu een heel andere leraar dan ds. Felix of ds. Sijpkens, hun werk bleef. De  invloed ging niet weer verloren en het optreden en ijveren van mannen als Tjeerd de Jong, Jan de  Boer en Douwe Scheepsma is mede een vrucht  geweest van het werk en de vorming van ds. Felix.  Zij hebben op kerkelijk gebied en op het terrein van  de school veel verricht. Scheepsma was jarenlang een van de weinige rechtse leden van de Raad  van Wonseradeel, die een 100 jaar geleden  berucht was om zijn liberaal egoïsme, en tot voor  de Raad van State verdedigde hij het standpunt  „der verdrukte minderheid". Ds. Westerloo vertrok  in 1879 naar Arum en dan gaan Schettens en  Longerhouw weer „om". De tijd der floreenrechten  was trouwens voorbij. De gemeenten werden  mondig en nu was het niet te verwonderen, dat er  weer mannen in de geest van ds. Felix kwamen. In  1880 deed ds. J.F.L.A. de Jagher intree, een  warm aanhanger van de gereformeerde  beginselen. Hij bleef tot 1882. Van de rij der predikanten, die na hem kwamen,  noem ik hier nog ds. B. Dijkstra (1910—1921), ds. G. v.d. Hoeven (1922—1928), ds. Th. Kloek (1928— 1945), ds. J.A. Geldermans (1945—1947) en dr. A.J. Visser (1948—1956), die wegens zijn grote kennis  en bekwaamheid de kansel voor de katheder verwisselde. Thans heeft ds. W. Hoogeboom de zorg voor de ruim 200 Hervormden in Schettens en  Longerhouw.(3) 

De eenheid van de Vrienden der Waarheid te  Schettens en Longerhouw in de vorige eeuw heeft  geen stand gehouden. De doleantie bracht  scheiding tussen hen, die in de jaren 1886 en  daarna Kuyper volgden of de zijde van Felix kozen,  die na enige aarzeling met de beweging, die op een breuk met de kerkelijke organisatie aanstuurde, niet  meeging. Hij was toen al jaren in Utrecht, maar als  er moeilijkheden of conflicten waren, dan vroeg men in de kringen van de Vrienden nog steeds:  „Wat zegt Felix er van?" In de dagen van de doleantie werd door voor- en tegenstanders beiden  met argumenten van Felix gewerkt, wel een bewijs,  welk een grote invloed hij in ons gewest op kerkelijk terrein heeft gehad. In Schettens en  Longerhouw vond, niettegenstaande de adviezen  van de zo vereerde en geliefde Felix, ook de stem  van dr. Kuyper weerklank en zo ontstond ook hier een Gereformeerde kerk. De 7de december 1888  kwam een aantal manslidmaten van de Hervormde kerk bijeen onder


±1790. prent Longerhouw. Auteur onbekend. Stichting Ald Makkum 31312

leiding van ds. T. D.  Prins, toentertijd „dolerend" predikant te Wons.  Op deze vergadering werd tot breuk met de  Hervormde organisatie besloten. Naar de geest van de doleantie, die op verschillende punten zich van de afscheiding onderscheidde, hield men vast aan  het standpunt, de „wettige" kerk te zijn, geen  nieuwe kerk, die naast de bestaande werd  opgericht, al kwam het in de praktijk daarop later wel vaak neer. De beide diakenen D. Scheepsma en J. Y. Janzen,  die met de doleantie meegingen, bleven dan ook in  het ambt en de kerkeraad werd slechts  „aangevuld" met twee ouderlingen, omdat de beide ouderlingen „synodaal" bleven. Gekozen werden  A. Bargsma en Meester P. Kurpershoek. De eerste  samenkomsten hadden plaats in de timmerwinkel  van Runia, waar 7 januari 1889 de instituering plaats had. Men vermeed het vergaderen in de school, hoewel de leden en het bestuur van de  schoolvereniging in grote meerderheid dolerend waren. Op andere plaatsen leidde dit gebruik van  de school door een der partijen tot splitsing ook op schoolgebied en dit wilde men voorkomen. Toen deze splitsing toch plaats had, werd de Christelijke  school vergaderplaats, tot in 1907 een kerkje kon  worden gebouwd, waarvan de eerste steen gelegd  werd door ds. D. van der Meulen. De verwachting van Psalm 27 : 14 is in deze steen gebeiteld. 

In 1891 kreeg de Nederduits Gereformeerde kerk  (na 1892 Gereformeerde kerk) een eigen predikant, n.l. ds. C.  Hoek. Hij was de vader van de pas gestorven dr. J.  Hoek, een Schettenser van geboorte, die in de  Gereformeerde kerken een belangrijke positie heeft  ingenomen. Ds. Hoek bleef tot 1899. Zijn opvolger was ds. D. van der Meulen, die van 1901—1907 te  Schettens c.s. stond. Hij is later bekend geworden  door zijn „Schetsen uit Friesdorp", die met  belangstelling en soms met de vrees „kom ik ook  aan de beurt?" gelezen werden, zo'n 30 jaar geleden. Er zullen ook wel Schettenser mensen zijn  geweest, die de indruk hadden, dat zij voor de  spiegel stonden, als zij deze „feuilletons" lazen. Verder hebben de gemeente nog gediend ds. J. Douma (later te Britsum), ds. E. Beukema, ds. J.  Bolman (van 1919 tot zijn emeritaat in 1937), ds. M. Feitsma (1937—1942), thans te Oenkerk, ds. J. van  Eerden, en ds. J. van Tuinen (1951—1957).  Momenteel is het ds. A. Riddersma die de pl.m. 220  Gereformeerden verzorgt. In getalsterkte ontlopen beide kerken elkaar niet veel en de verhouding, die  in de eerste jaren na de Doleantie wel eens wat  gespannen was, is thans uitstekend, zo werd me verzekerd. 

En nu iets over de Chr. school.

Eigenlijk moest ik van scholen spreken, want er  was één Christelijke school, er kwamen er twee en  nu is er weer één. In Schettens was oorspronkelijk een kerkelijke  school, zoals in vele Friese dorpen. Ook  Longerhouw heeft een tijdje een eigen school  gehad. In 1796 werd de Schettenser  schoolmeester, die door de stemgerechtigden was aangesteld (want dat was hun recht ook) afgezet,  omdat hij de nieuwe orde van zaken niet wilde erkennen. Hij zal dus een oranjeklant zijn geweest.  Zijn kost heeft hij wellicht ook anders wel kunnen  verdienen, want schoolmeester was een bijbaantje  soms. Zo was Meester Robijn, die in het begin van  de 19de eeuw de lieve jeugd onderwees,  ongediplomeerd en was hij naast meester ook  dorpsschoenmaker. Toen er in 1823 een nieuwe  school werd gebouwd, heeft men ook al heel  spoedig een „echte" meester aangesteld, die  tevens verschillende kerkelijke ambten vervulde.  De school werd officieel neutraal, maar in kleine  dorpen werkte de liberalisering slechts langzaam  door. Zo is Meester Justus Gerkama een tijdje  hoofd geweest, tot hij zijn vader in Abbega  opvolgde. Zowel in Schettens als in Abbega gaf  hij feitelijk Christelijk onder¬wijs in de openbare  school. Zijn opvolger was de heer Leonardus Hugius van  Koppelman Bokma, die van 1844—1881 de functie  van schoolmeester heeft vervuld. Hij was minder  rechtzinnig dan Meester Gerkama, maar de school  behield toch een godsdienstig tintje. Buiten de  schooluren werd uit de bijbel gelezen, er werd nog  wel eens een psalm gezongen en aan het begin en  het eind van de week werd gebeden en gedankt.  De autoriteiten lieten dit vaak oogluikend toe, hoewel de wet van 1857 het uitdrukkelijk verbood. Ingrijpen zou maar koren op de molen van de  voorstanders van Christelijke scholen zijn. De heer  Scheepsma, die de geschiedenis van de  Christelijke school in 1922 beschreef, herinnerde zich toen nog een versje, dat de aard van het onderwijs wel aardig  tekende:

Machtige Schepper, U heb ik te danken
Dat ik  ontwaakte, gezond en verheugd;
Wijze Bestierder,  'k heb Jezus te danken,
Dat ik U kenne in 't eerst  van mijn jeugd 

Velen vonden het onderwijs zo kwaad nog niet.  Immers het was nog wel een beetje Christelijk en men wilde Meester Bokma ook sparen. Er waren er echter ook, die deze schijn doorzagen en voor hun kinderen positief Christelijk onderwijs begeerden. Onder hen wordt vooral genoemd Maaike Turkstra, de vrouw van de president-kerkvoogd Tjeerd  Douwes de Jong, wiens naam we al tegenkwamen bij de kerkbouw. Zij was in 1856 uit Anjum in Schettens gekomen en was een Debora in  Israël. Zij zorgde, dat in gezinnen, waar geen bijbel  was, Gods Woord weer kwam, zij bezocht de vergadering van de Vrienden der Waarheid en toen  in 1863 op zulk een vergadering te Leeuwarden  Groen de zaak van Christelijk Nationaal  Schoolonderwijs verdedigde, was dat haar uit het  hart gegrepen. Nu behoorden school en  „schoolhuis" aan de kerk en in verschillende  plaatsen werd aan de gemeente het gebruik van  deze gebouwen opgezegd, om dan de openbare in een christelijke te veranderen. Bij de behandeling  van Schraard is daar uitvoerig over gesproken. In  Schettens ging dit niet zo gemakkelijk, omdat in de overeenkomst waarbij aan de gemeente  Wonseradeel het gebruik was toegestaan, de  bepaling was opgenomen, dat deze regeling gold,  zolang het „tegenwoordige" hoofd (= meester  Bokma) in functie was. Wilde men dus iets beginnen, dan zou er althans  tijdelijk een school moeten worden gebouwd. De  predikant Westerloo werkte tegen, maar de zaak  werd doorgezet. De beide kerkvoogden, Tjeerd de Jong en Jan de Boer kochten een perceeltje grond in het dorp en al spoedig ging het gerucht, dat dit  bestemd was voor schoolbouw. Beiden zwegen  echter voorlopig wijselijk van hun plannen. Maar er gebeurde meer. Er kwamen een paar  arbeiders bij Tjeerd de Jong, die wat centen bij  elkaar hadden gespaard en hem dit aanboden,  omdat zij van mening waren „dat de Openbare  school naar de wet van 1857 hun kroost onthield,  wat zij volgens de doopbelofte schuldig waren. Zij  mochten niet langer aanzien, dat hun kinderen  stenen voor brood werd toegediend". Th. Hidma  was de woordvoerder. Wat was vrouw De Jong blij  met dit getuigenis! Er was toen al een hulpverlening voor Chr. Nat.  Onderwijs opgericht en de eerste vergadering van  de voorstanders van een Christelijke school had  plaats op 20 maart 1870. Er was nogal wat deining over de vraag: Schettens of Longerhouw? maar  tenslotte werd besloten Schettens als plaats van de bouw te bestemmen. J. Boorsma van Hichtum maakte een plan en K.  Roedema te Longerhouw voerde het werk uit.  Behalve de beide kerkvoogden hadden vooral door financiële steun ook een aandeel in de bouw: Wed. D.T. de Jong, Wed. S.K. Scheepsma en Wed. K.D. Reinsma. De beide kerkvoogden en de Wed. de  Jong en Wed. Scheepsma werden gezamenlijk  eigenaars van gebouw en erf, terwijl de Wed.  Reinsma het geld renteloos disponibel stelde. De  bedoeling was, om zodra de school, die eigendom  van de kerk was, vrij kwam, te verhuizen. 5 februari  1872 werd de school geopend: 

Schettens, 5 Febr. 1872. Deze dag was de dag der  blijdschap. Op plechtige wijze werd de school  ingewijd en 't moet aan 't hoofd dezer aantekening  staan: De Here zegende ons. Ten 10 ure trad de  Weleerw. Heer Rademaker, predikant te Sneek op,  en sprak over het zuurdeeg, verborgen in drie maten meels. Zo moest ook het Chr. beginsel de  kerk, de school, de maatschappij, doortrekken. In ernstige en boeiende taal sprak Z. Eerw. over het hoge belang van de Chr. sehoolopvoeding. Ten 12  ure werden allen, die zulks verkozen, door de  Commissie onthaald op 't nodige voor 't lichaam.  Daarop werd de school geopend met 46 leerlingen  en de onderwijzer zegenend zijn werkkring ingeleid.  Deze las Efeze 6 en sprak een hartelijk woord tot Commissie, ouders en leerlingen. Daarop ging men  vanwege de menigte der toehoorders weer naar  de kerk, waar door onderscheidene sprekers, het  noodzakelijke en heerlijke der Chr. opvoeding werd  betoogd. Hierop verzamelde men zich ten 5 ure weder in de school, waar nu het overige van de  dag en de avond onder voordrach-ten en godsdienstig gezang werd gesleten. Zeer voldaan keerde men huiswaarts en mocht men dankbaar  getuigen: De Here was in ons midden. 

De meester, die zegenend zijn werkkring werd ingeleid, was de heer A. Hoekstra, die van 1872—1886 de leiding van de school heeft gehad. Hij was een bekwaam man, die ook op ander terrein veel  heeft gedaan en onder meer de grote steun was  van Scheepsma, die vaak een zware strijd had te voeren in de gemeenteraad. De opvolger van de heer Hoekstra was Meester  Kurpershoek. De heer Joh. Hoekstra schreef me dat meester zo boeiend kon vertellen.   

De schrijver herinnert zich nog heel goed, hoe zijn  broer ten tijde van de Boerenoorlog 's avonds thuis  kwam met hele verhalen, want Meester Kurpershoek had de kinderen van alles uit de krant  voorgelezen en meester was dan zo heftig verontwaardigd op de Engelsen. „Zijn onderwijs  heeft een stempel op het verdere leven van zijn  leerlingen gezet." De openbare school liep vrijwel  leeg. Met kunst en vliegwerk werd geprobeerd door het liberale gemeentebestuur om in tal van dorpen  de openbare school te handhaven. Bij de behandeling van Schraard is daar uitvoerig op  gewezen. De voorbeelden van Schraard, Wons, Gaast e. a. zijn berucht geworden. Ook in Schettens gebeurden wonderlijke dingen. Er zijn jaren geweest, dat men door het „lenen" van een  paar kinderen die onder Bolsward en Witmarsum woonden, nog de noodzakelijkheid van de  instandhouding van de openbare school te  Schettens poogde aan te tonen, daarbij gebruik makende van een misplaatst beroep op de  grondwet. Eindelijk, in 1881, gaf de raad de strijd op. Meester Bokma kreeg eervol ontslag en pensioen en de  openbare school werd opgeheven. Nu kon dan het  oorspronkelijke plan worden uitgevoerd. Maar het  was ds. De Jagher, die afried, om een kerkelijke  school te stichten. Zij moest van een vereniging  uitgaan. Zo bleef de school in haar eigen gebouw  en de ex-openbare school kreeg voorlopig een  andere bestemming.

De Doleantie bracht scheiding. Meester Kurpershoek, die Meester Hoekstra was  opgevolgd, werd ouderling in de „kleine" kerk. Het schoolbestuur was in meerderheid „Kuyperiaans" en dit wekte de ontevredenheid bij hen, die Hervormd bleven. Juist was besloten, de school uit te breiden (er was nog maar één lokaal) waarvan de kerkvoogdij de kosten zou dragen. Toen nu de  kerkelijke verdeeldheid zich openbaarde, voelden velen uit de Hervormde kring, hiervoor niets, maar aangezien de zaak contractueel was vastgelegd,  heeft de kerkvoogdij aan de verplichting voldaan.  Er werd echter nog hetzelfde jaar een tweede  Christelijke school opgericht. De heer De Jong, die lang voorzitter was geweest van het schoolbestuur, bedankte en op den duur volgden alle Hervormde leden zijn voorbeeld. De nieuwe (Hervormde) school werd in het  vrijgekomen gebouw van de openbare school  gevestigd. In zekere zin werd dus toch het oude plan uitgevoerd. De heer Van Beem van Abbega werd het eerste hoofd (1889 —1893), Bij de beschrijving van  Abbega is hij al genoemd. Beide schooltjes waren  klein. Soms scheen de oude school, die in de practijk de Gereformeerde school was geworden, te moeten verdwijnen. Er zijn jaren geweest, dat het  aantal leerlingen tot 14 of 16 daalde. Pogingen tot  hereniging, reeds vrij spoedig na de scheiding ondernomen, mislukten echter. De Gereformeerden  eisten pariteit, de Hervormden wilden een C.V.O.- school. Na de oorlog is het toch gelukt. In 1946 zijn de beide scholen verenigd. In dat jaar vertrok de heer  Pietersma, het hoofd van de Gereformeerde school,  en Meester G. Eyzinga, die al van 1933 af hoofd  van de Hervormde school was, werd nu hoofd  van de gecombineerde school. In alles is er pariteit  tussen de beide groepen. In beide  schoolgebouwen werd eerst nog les gegeven, de  lagere klassen zaten in het ene, de hogere in het  andere. Maar in 1955 kon de nieuwe driemansschool worden geopend. Er zijn op de  ongedeelde school 78 leerlingen. Schettens is een  voorbeeld van hoe het kan en moet. Ik moge nog even vermelden, dat aan de oude school na de heren Hoekstra en Kurpershoek  (1886—1914) nog werkzaam zijn geweest de heren  S. van Abbema(4), later te Lollum en thans gedeputeerde, en H. Pietersma, thans te Boksum. Meester van Beem, het eerste hoofd aan de Hervormde school, heeft als opvolgers gehad de  heren T.J. Broers (1893—1908), J. D. de Jong  (1908—1921), O. Hoekstra, J. Gras (die van 1923—1924 de leiding had en in laatstgenoemd jaar te  Schettens is overleden), Haarman en Hoogeveen. Sedert 1933 dan was, zoals reeds werd opgemerkt,  de heer G. Eyzinga hoofd van de Hervormde school tot 1946, en sedert dien van de gecombineerde school. Men ziet, hoe een klein dorp een rijke geschie-denis op schoolgebied kan hebben.  

(1)  vijftiger jaren van de twintigste eeuw.
(2) Roedema overleden....
(3) vijftiger jaren van de twintigste eeuw.
(4) 1954 - 1962

 

Index pagina

Vorige pagina

 

Histoarysk Wurkferbân Wûnseradiel