Wons-De historie gaat door het eigen dorp Histoarysk Wurkferbân Wûnseradiel

 

Uit de serie, de historie gaat door het eigen dorp'


Ale Algra schreef De Historie gaat door eigen dorp I, II, III (1955, 1956, 1957), een bundeling van stukken die hij wekelijks schreef in het Friesch Dagblad over de geschiedenis van Friese gemeenschappen. Hij ontving daarvoor in 1960 de Joost Halbertsmaprijs.
De serie bestaat ook uit de delen 4,5 en 6. Bekend is, dat het werk overgenomen is dooe een andere schrijver. Deze informatie moet nog verder worden uitgezocht.

 

WONS

In de tweede helft van de 14de eeuw duikt het dorp, dat nu aan de beurt is, als Wildinghe in de historie op. Toen Schraard behandeld werd, heb ik al op het stuk gewezen, waarin de „gealioeden van Wildinghe, Schradawert" en andere dorpen gemeenschappelijke regels opstellen. Ook de naam Woldens komt wel voor (1374), die men heeft trachten te verklaren als: einde van het woud, een zelfde geval dus als Woudsend. De tegenwoordige bewoners echter houder de herinnering aan de oude naam levendig, doordat ze een der toegangswegen Wildingheweg hebben genoemd.
Er waren echter al ver vóór 1379 nederzettingen, zoals de terpen ons duidelijk aantonen. Verschillende van deze hoogten zijn in de loop var de tijd verdwenen. Zo kan men in de Leeuwarder Courant in 1867, 1890 en 1893 aankondigingen lezen, dat de terpen bij Hayum en Goyum geopend zijn, wat betekent, dat de schippers met hun moddersnikken er konden komen, om de vruchtbare terpaarde weg te halen tegen een som van ongeveer 50 cent de ton.

Enerzijds is dit afgraven te betreuren, want veel landschaps-schoon is daardoor verloren gegaan. Aan de andere kant hebben de terpen hun historische schatten door het afgraven prijs gegeven en is het Fries Museum met vele daarvan verrijkt.

  

Misschien is het meest te betreuren dat één bijzondere terp in de buurt van Wons is afgegraven, n.l. de weerstal. Volgens Rienks en Walther was dit oorspronkelijk een oude terp, die later opgenomen werd in de Griene dyk, die de Schraarder hem beveiligde tegen het hoge water. Het leek dan later ook een verbreding van deze waterkering. Volgens mededelingen, die ik van de heer S. D Reitsma ontving, zijn er geen sporen van woningen gevonden, waar door de mening wordt versterkt, dat we hier met een bijzondere terp te doen hebben. We lezen n.l. bij Schotanus:
Niet verre van dit dorp in 't oosten is een seecker ronde pleyn die tot op den huydigen dach de naem van Wonser weersta! draeght, omdat aldaer eertijds (gelijck op andere plaetsen) het recht onder den blauwen Hemel gehouden wierd.

 

Volgens mijn zegsman zijn er wel skeletten gevonden, toen men „het ronde pleyn" afgroef. Ook waren er sporen van een „dobbe". Zou dit misschien ook kunnen wijzen op een executieplaats ? Er werd niet zo heel lang geleden nog van galgerak in deze buurt gesproken, wat ook weer op een gerechtplaats wijst.

Zoals ik reeds meedeelde is de oude terp afgegraven en ook het grootste deel van de Griene dyk is verdwenen. Het was een vrij jonge waterkering. In het watersnoodjaar 1825 bleek de dijk trouwens al verwaarloosd. Hij heeft toen slechts geringe hulp geboden, omdat hij op vele plaatsen doorbrak en bovendien was het schot, dat het Schraarder „weingat" moest afsluiten bij gevaar, zoek. Het moest in de Schraarder kerk zijn, maar was nergens te vinden.

Na 1825 is de zaak weer wat opgelapt, maar in de tweede helft van de 19de eeuw, onttrokken de eigenaars zich aan het onderhoud en omstreeks 1875 begon men al gedeelten van de Schraarder hemdijk te vergraven. Dit proces ging door en zo verdween ook de weerstal.

De boerderij van de heer S. D. Reitsma draagt nog de naam Donia. Fragmenten van grachten wijzen er op, dat hier oorspronkelijk iets meer dan een gewone boerderij moet hebben gestaan. De kronieken spreken dan ook van een Doniastins, die echter in de woelige tijden van de 15de eeuw is vernield. Omstreeks 1450 woonde hier Haring Donia, een loot van het strijdbare geslacht, dat ook te Oosterend en op andere plaatsen zijn sterkten had. Het was in 1458, dat Douwe Sjaardema en Goslyck Jongema met hulp van de burgers van Bolsward het Doniahuis onder Oosterend (tussen Kliuw en Sanlean) innamen en daarna veroverden en verwoestten zij ook de Doniaburcht onder Wons. Ik neem aan, dat de burcht nadien niet weer is opgebouwd. Er zal van de restanten een boerderij zijn gebouwd. Onder de vloer van de tegenwoordige woonruimte is nog een diepe betegelde regenwaterbak (of misschien een „saed"?), die wellicht al gegraven is in de tijd, dat Donia nog een adellijke bewoner had.

In 1374 wordt Hero Hayez grietman te Woldens genoemd, wat er op zou kunnen wijzen, dat toentertijd de grietman nog in het moederdorp woonde. Zou dit het geval zijn, dan zou Woldens in die tijd naast Wildinghe zijn gebruikt. Het is natuurlijk ook mogelijk, dat met Woldens de grietenij wordt bedoeld, al lijkt het meest waarschijnlijk, dat met de aanduiding de woonplaats wordt bedoeld. Misschien heeft Hero wel op Doniawier gewoond en is hij een voorloper van de Donia's geweest.

Op één van de terpen verrees in de middeleeuwen een kerkje en het werd het middelpunt van de hele omgeving. Goyem, Hajem, Middem en Donia waren andere wooncentra, maar Wons werd door de kerk hèt dorp. Hier woonden de pastoor en de vicaris, twee geestelijken, die zorgden voor het zielenheil van de boeren en arbeiders in de wijde omtrek. Tegenwoordig behoort ook Engwier onder Wons, maar eenmaal is het burgerlijk en kerkelijk zelfstandig geweest. Het was altijd maar klein, want er werden

maar zes stemmen uitgebracht (in Wons 31). Toch woonden er vóór de reformatie een pastoor en een vicaris! Vlak bij het dorp lag het Sillaarder meer, dat echter in de 18de eeuw evenals zoveel plassen in deze omgeving, is drooggemalen. De toren van het kerkje is in 1868 ingestort, waardoor ook een deel van de westelijke muur instortte. Onbevoegden konden gemakkelijk in de kerk komen. Ze deden dat ook en roofden o.m. de zandloper van de preekstoel. De gehavende rest van de toren werd met een spitsje afgedekt. In 1882 is een nieuw kerkje gebouwd.

Er woonde toen maar één hervormd gezin in Engwier en het hoofd daarvan was kerkvoogd. In een advertentie in de Leeuwarder Courant riep hij de hervormden van Engwier op! Er kwam natuurlijk niemand buiten de kerkvoogd. Hij benoemde toen twee personen uit Wons die als plaats-vervangers van de te Engwier ontbrekende kerkvoogden optraden.


Deze drie besloten toen tot nieuwbouw. Later ging het een beetje scheef en toen is de kerkeraad van Wons als kerkvoogdij opgetreden.

     

In 1902 is het kerkje, dat toen 20 jaar stond, afgebroken. De klok is aan een kerkje in de Limburgse mijnstreek geschonken. De heer Politiek vertelde me, dat hij van zijn vader vaak had gehoord, dat ds. Norel nog zo nu en dan in Engwier preekte. Tenslotte werd het aantal preekbeurten, zo deelde de heer Wesselius me mee, tot vier per jaar gereduceerd, maar de opkomst was zo klein, dat de diensten tenslotte geheel werden gestaakt. Het kerkhof bleef. De enige herinnering aan de vroegere kerkelijke zelfstandigheid is, dat Engwier nog een afzonderlijke kerkvoogdij heeft, die, zoals ik reeds schreef, door de kerkenraad van Wons wordt uitgeoefend. Een bijzonder geval: Wons heeft een kerkvoogdij en de kerkenraad van Wons is kerkvoogdij van Engwier!

In de provinciale almanak zocht ik onder de gemeente Wonseradeel in de rij van dorpen tevergeefs naar de naam Engwier (de naam Abbingawier kwam voorheen ook voor) en bij navraag bleek me, dat Engwier bij Wons gevoegd is. Men is hier dus doortastender opgetreden dan in andere streken, waar men dergelijke „dorpen" heeft laten bestaan. Er woonden in 1956, toen ik Wons bezocht, naar men me zei, „3 boeren en een kippenboer" of totaal 24 personen groot en klein. Sillaard schijnt vroeger ook een zelfstandig dorpje op een terp geweest te zijn, waar de bewoners van visserij leefden.

De tegenwoordige kerk van Wons dateert van 1728. Ik vond in een andere opgaaf het jaar 1786, maar ik meen hier te mogen afgaan op de mededeling in de Stads- en Dorpskroniek van dr. Wumkes:30 mei 1728: Ds. P. J. de Pomerolles wijdt het nieuwe theebuskerkje te Wons in met Jesaja 2 : 3. Er is overigens geen enkel jaartal, dat aan de stichting herinnert. Het kerkje is achtkant, heeft een piramidevormig dak, waarop weer een achtkante opengewerkte koepel. Hierop prijkt een paard (volgens anderen is 't een hert, wapen van Wonseradeel) in plaats van een haan. De preekstoel is ouder dan de kerk, want hij werd in 1681 „besproken" (gegeven) door Richie Jacobsz. Abbema, oud 23 jaar. Ook de klok was veel ouder dan de kerk, want hij was in 1595 als gegoten. Zij is echter in de laatste oorlogsjaren geroofd en niet teruggekeerd. De kerk van Wons heeft thans een nieuwe klok. De klok van Engwier was waarschijnlijk nog veel ouder, want in de lijst van monumenten wordt hij vermeld met de toevoeging: 13de eeuw? Omdat elk opschrift ontbrak, moest dus de ouderdom geschat worden. Het schijnt, dat de theebus niet al te stevig was gebouwd, want reeds in 1775 werd aanbesteed het maken van een nieuw achtkant torentje op de kerk van Wons.Bij de kerk behoort een pastorie. In de 18de eeuw is de Wonser pastorswoning meermalen verbouwd en vernieuwd en in 1873 werd een geheel nieuwe woning opgetrokken. Dat was een kasteel gelijk! Hepkema schrijft in 1900:

De huizen van Wons zijn over 't gemeen klein, zonder weelde of vertoon, except(behalve) de pastorie van twee verdiepingen, welke een sprekend contrast vormt met hare omgeving. Dit onpraktische huis met meer dan tien vertrekken was natuurlijk voor predikanten uit onze tijd niet meer te bewonen. Wie zal het meubileren van dit soort kastelen nog bekostigen? In Wons heeft men dan ook wijs gedaan door na de oorlog de pastorie, waarin eens dr. L. Wagenaar en ds. Norel woonden, de pastorie ook, waarom in de dagen van de doleantie zo heftig is gestreden, af te breken. De tegenwoordige dominee woont in een praktische moderne woning en allerlei materialen van de oude pastorie konden nog worden gebruikt voor de bouw van een vergaderlokaal, iets waaraan vele dorpen zo'n dringende behoefte hebben.

De Wonser kerk heeft het lang met een voorzanger moeten doen, want in 1840 wordt nog vermeld, dat er geen orgel in de kerk was. Dit is natuurlijk sedert dien veranderd.


Wons. Gravure ±1790. Auteur onbekend. Stichting Ald Makkum: 31136

Hepkema vermeldt, dat een memoriesteen voor het gebouw het volgende vermaan tot de Wonsers richtte:

Zoekt gij, o mensch, een goed,
Dat onvergangklijk is?
Hoor hier op 's Heeren dag
Dan Gods getuigenis,
En leeft gij, door geloof
Naar Jezus' hemelleer,
Gewis vindt gij bij God
Eens zulks en nog veel meer.
1836                                                                                              V

Ik heb mijn best gedaan deze memoriesteen te vinden, maar het is me niet gelukt. Misschien heeft men in deze eeuw de steen met inscriptie verwijderd, wat geen verlies zou betekenen. Wel bevindt zich in de kerkmuur de grote memoriesteen, gewijd aan meester Salverda, de Friese dichter, die in 1836 hier overleed. Het opschrift van die steen luidt:

Hulde aan Jan Cornelis Pieters Salverda,
verdienstelijk Friesch dichter,
geboren te Bolsward den 28 Juny 1783,
overleden als onderwijzer te Wons den 7 Maart 1836,
toegebragt door het Friesch Genootschap van Geschiedenis,
Oudheid- en Taalkunde.
MDCCCLIII
Begraven Lt. V. 2 No. 4.

Op zijn graf is door het Genootschap ook een zerk gelegd. Van vaders kant stamde Salverda uit een welgesteld boerengeslacht onder Franeker en zijn moeder moet zelfs van adel zijn geweest. Hij werd eerst hulponderwijzer te Bolsward en daarna te Franeker, waar hij in het huwelijk trad. In 1807 werd hij te Wons „beroepen" en daar verloor hij zijn eerste vrouw. Hij had bij haar een zoontje en een dochtertje.(1) Uit zijn tweede, zeer ongelukkig huwelijk, sproten zeer vele kinderen, waarschijnlijk 17.(2) In 1807 verschenen zijn eerste rijmwerken in het Nederlands. Later legde hij zich op zijn eigen taal toe en zo verschenen in 1824 zijn „Ytlycke Friesche Rymckes". Deze zijn later opgenomen in de grotere bundel „Hiljuwns Uwren". Daarin komt, zegt dr. Wumkes, „de tragyk fan syn libben út". Uit deze „hertegjalpen fan de Hiljuwns Uwren" proeft men de ellende, die deze tragische dichter-schoolmeester, vereerder en navolger van de grote Gysbert, heeft ondervonden. Hoewel — en daar wijst Wumkes ook op — het lichtere genre niet ontbreekt.

Geen wonder, dat in vele gedichten van Salverda dit leven niet anders is dan „een gestadige dood" en dat zijn „Wrâld! út 'e wei!" ons herinnert aan de wereldmijdende verzen van pater Brugmans. In 1836 overleed hij „yn in net-to-biskriuwen ûnhurens", zoals Piebenga schrijft. „Hy stoar as in houn", zo schrijft O. Postma. En dat niet-tegenstaande het feit, dat hij machtige en rijke vrienden had. De Friese gouverneur Jhr. Aebinga van Humalda steunde hem meermalen, Joost Halbertsma was zijn vriend. Maar het schijnt, dat de huishouding ook een bodemloze put was. Mr. Sloet schreef, dat Salverda meer dan armoede had geleden. Daarvan gaf het binnenste van zijn woning blijk. Er was nauwelijks iets anders te vinden dan gebroken huisraad. „Ongelooflijk is het, doch niettemin waar, dat bij zijn verscheiden geen napje in zijn woning voorradig was, om zijn droge en stervende lippen te verfrissen, waarover zoveel schone verzen waren gevloeid". De memoriesteen eert hem, maar toch komt onwillekeurig de gedachte op: had Wons of hadden zijn vrienden tijdens zijn leven niet wat meer kunnen doen?


Een paar verzen uit een gedicht op de tweeling, die op dezelfde dag stierf (16 mei 1824, oud 11 maanden) neem ik hier over:

Yn selde ûre oppe wrâld
De selde dei to neat.
Moast ek ien fet hjar tsjinje!
Myn Metsje, klei net- swij,
Bid oan en leau mei my
God sil ûs wer foerienje.

Nacht, ingelkes! foar 't lest!
Nacht Piter! Willem rest!
Jimm' namme sil min lêze
Salang myn sjongfaem 't hert
Fan Fries en Unfries fet
En dit moat ivich wêze.

Geen wonder, dat hij klaagt:

Ho woelt en strekt de smert,
Sa wyld me yn it britzen hert,
En wringt my 't wiet út' eagen,
O God! ik dúnje yn 't wea

Uit: „Wrâld! út 'e wei!"


Wrâld! út 'e wei!
Ik wol net mei,
Ik moat nei boppe.
Hjir boppe is wille en ljeafde yn 't libben;
Hjir ûnder is alles oan 'e sûnde bisibbe.

O wrâld! du hest
Bidroch en list
Om my to nekjen.
Mar 't haw dy farwol sein en siz dy dat yette
Dy net mear neirinne, mar Jezus tomiette.

Wei, wrâld den wei!
Dy net mear nei.
De hemel wiuwt mei.
Hwet sil den elk Christen Gods ljeafde-each oanblinkje,
O Jezus kom ringen, om det tot skinkjen.

En toch zag deze moede strijder op zijn sterfbed meer dan gewoonlijk tegen het scheiden op, zo zegt zijn levensbeschrijver. Doch dat getuigt niet tegen hem.

Zoals ik reeds opmerkte, hadden Wons en Engwier voor de Reformatie elk een vicaris en een pastoor. Na de Hervorming moesten de twee dorpen het samen met één zielenherder doen.

Aanvankelijk zal het nog magerder zijn geweest, toen vaak één predikant een hele of halve grietenij had te verzorgen. Toen Franeker echter kandidaten begon af te leveren, werd de toestand beter. In 1592 lezen we van de eerste dominee van Wons en Engwier, Rudolf Uiterwijk. De gemeente trof het blijkbaar niet zo best met haar eerste herder, want in 1594 moest hij gedwongen — zo staat het in de predikantenlijst — zijn dienst opgeven. Wel probeerde hij in 1600 tijdens een vacature zich weer in te dringen, maar de synode stak hier een stokje voor. Gellius Schotanus, die eertijds geestelijke in Leeuwarden geweest was en toen de mis had bespot, weshalve hij moest vluchten, kwam in 1595 als dominee te Wons. Hij bleef tot 1599 en toen keerde, zoals ik al zei, ds. Uiterwijk terug, maar de Friese synode bepaalde in 1601 dat hij geen dienst meer mocht doen in heel Friesland. Hij zou dan tot 1602 zijn gage ontvangen. Ds. Uiterwijk hield zich aan deze regeling en vertrok naar Koekange, terwijl hij later de Staphorsters stichtte. In 1617 werd hij emeritus. Het gebeurde voorheen wel meer, dat men een dominee niet definitief afzette, maar hem probeerde kwijt te raken aan een andere provincie, waar hij dan met een schone lei kon beginnen. Over Tido Daniel van Dam, die zich van Baflo uit (hij had vroeger in Witmarsum gestaan) in Wons trachtte te vestigen, zijn de berichten verward.

Wel schijnt hij zonder approbatie een poging gewaagd te hebben, maar het is dan niet gelukt. Van Cornelius Florus (1603—1610) geen kwaad gerucht, maar na zijn vertrek daagt ds. Schotanus weer op, die intussen arts in Bolsward was geworden en dus zijn ambt had neergelegd. Hij probeerde zonder toestemming van de meerdere vergaderingen in Wons maar weer dominee te worden (de gemeente vond het misschien wel goed), maar de classis stak ook voor dit onwettig optreden van iemand, „die tot een andere staat des levens" was overgegaan, een stokje en Gellius Schotanus moest maar weer gaan praktiseren in Bolsward. In januari 1614 kreeg Wons een nieuwe herder in Nicolaas Petrus Byrza, maar reeds in mei van datzelfde jaar was hij al overleden.

Geen gelukkig begin dus wat de predikanten betrof! Eerst met ds. Wilhelmus Schotanus a H (R)inkema kwam het kerkelijk schip in rustiger wateren. Van dat ogenblik af aan lezen we niet meer van indringen, gedwongen heengaan en dergelijke onregelmatigheden. Het is niet mijn bedoeling alle predikanten van Wons hier op te sommen. Het zijn er ongeveer 45 en verschillende hunner hebben Wons geestelijk maar kort verzorgd, het misschien als springplank beschouwd. Ds. Franciscus Boote (1635—1640) is echter in Wons overleden en zijn opvolger Nicolaas Jeltema, die het met de Schraarders aan de stok had, zoals ik vroeger al vertelde, heeft 22 jaar de kudde geweid, n.l. van 1641—1673. In laatstgenoemd jaar is hij te Wons overleden. Ook zijn opvolger Sjouke Balk (1674—1680) is te Wons begraven. Uit de 18e eeuw noem ik Paulus Franciscus de Pommerolles, die de kerk „inwijdde", Petrus de Gavere en Gerardus van Elselo, die van 1748— 1756 te Wons stond. In laatstgenoemd jaar kreeg hij emeritaat wegens krankzinnigheid. In 1794 is hij overleden.

    

Hetzelfde lot trof ds. Nicolaas Vlieg die van 1797—1821 de gemeente van Wons verzorgde. Hij had 14 kinderen en leefde volgens Van Eekhoff onder zeer treurige omstandigheden en in grote armoede. Het is opvallend dat het in dezelfde tijd is, waarin ook meester Salverda een ellendig bestaan had in Wons. Ds. Vlieg werd krankzinnig en kreeg emeritaat.

 


Verder noem ik nog ds. J. W. Becking, een der bekende rechtzinnige predikanten een honderd jaar geleden, ds. L. D. Westerloo, die van 1858—1872 te Wons werkzaam was en hier ook overleden is. Na ds. Koops (1873—1875) en ds. J. P. van 't Land (1876—1880), die getrouwd was met een Höveker van Amsterdam (de heer Politiek toonde me nog prachtig uitgevoerde herinneringen aan het zilveren huwelijksfeest, gedrukt door de fa. Höveker), kwam dr. Lütsen Wagenaar, die in de Friese kerkgeschiedenis naam heeft gemaakt en die reeds in Wons met groot élan streed voor de Christelijke school en voor de oude waarheid. Met Sikkel, Guldenarm, Hoekstra, Ploos, De Hoest, Rijnen-berg, Griethuysen, Van Apeldoorn, Warmolts en andere — meest jonge — predikanten ijverde hij voor de rechten van de kerk. De doleantie heeft later scheiding gebracht tussen deze broeders. Wons was ook in de floreentijd een rechtzinnige burcht, zo zelfs, dat toen De kerk van Wons het floreenjuk werd afgeworpen, de gemeente dezelfde kerkvoogden koos, omdat deze steeds in het waarachtig belang van de kerk waren werkzaam geweest.

In deze Wonser periode van dr. L. Wagenaar valt  ook de pennenstrijd tussen hem en Piter Jelles,  dat aanleiding gaf tot  het gedicht van Troelstra: De Wûnzer reis. Men weet, dat Troelstra en Dr. L. Wagenaar vrij  wat met elkaar in „tsjûk waer" hebben gezeten. Toen laatstgenoemde in het kiesdistrict Sneek een a.r. baron verdedigde tegen Heldt,  de arbeidersman, schreef   Troelstra  zijn „Fij Lútsen",  waarop het antwoord van Lútsen volgde: „Hark ris Piter".

Japik Hepkema kwam tussenbeide met zijn: „Hald op, jonges!" Als hekkensluiter kwam toen Troelstra nog met zijn „Nei de stoarm". Dit verscheen in 1885 en daarin komt ook voor „De Wûnzer reis". In de aantekeningen bij Rispinge wordt hierin verband gelegd met de doleantie en de „Wonser schandalen". Maar dat heeft de bewerker mis, want in 1885 was er nog geen sprake van doleantie. In de „Wûnzer reis" vertelt Piter Jelles, dat hij een reis maakte met een Wonser echtpaar:

De boer det wier in froede man,
Det koe men oan 't praten wol merke.
En as men syn hoed en wyt foarhimdtsje seach,
Den tocht men: hy heart oan 'e tsjerke.

Syn wyfke, dêr nim ik de hoed for óf,
Det wier in echt-Fryske boerinne:
Hjar bûter hie jimmer grif d' earste kar, Hjar tsjerne moat blinke as in sinne.

Het gesprek kwam op kerk en politiek en het bleek, dat Wons vacant was. Piter Jelles spot dan met de herderlozen, die misschien zullen afvallen. Hij wil een oproep plaatsen om het dorp aan een „gelovige" predikant te helpen. Die rekenen niet met tractement en pastorie. En dan gaat hij verder:

Ho smûk leit Wûns yn it beamteskaed,
Sa kûs yn it grien biskûle!
Hofsjongerkes njuentsje 'r sa blij hjar liet —
Op 't tsjerkenael sit in ûle.

Over die ûle fantaseert hij dan verder. Die is het symbool van de „ljochtskouwens" en het is duidelijk, dat hij met deze uil de domme orthodoxie bedoelt. Zo beschrijft hij ook een dominee, die in de vacature van dr. Wagenaar is beroepen:

Det wier in man fan it echte daei,
Dêr men „wedergeboornen" fen makket.

Het einde van het gedicht is sympathieker. Het gesprek komt op dr. Wagenaar, die kort geleden naar Heeg is vertrokken.

„Jim' leste doomny", sei 'k tsjin 'e boer, „
Det is in baes mei de pinne,
Hwet is den tsjinwirdich oan 'e slach!
Men moat dochs mar skriuwe kinne!"

„Ja," wier 't biskie, „hy leit oerheap
Mei ien fan syn kameraten.
Fij Lútsen! ha'k lézen, hwet wier det spotsk!
Men heart der mar folie oer praten".

„Och", sei de boerinne, „hwet scoe't? Ho doarst
Us doomny dy ferskes dochs meitsje?
Det is nou ienkear gjin doomnyswirk
Hy kriget mar raer op syn baitsje.

Hy scoe net piele mei sok wirk —
It teikenjen scoed er ek litte;
Mei yn it hekje in domeny
Mei potlead oan 't teikenjen sitte?    *

Det teikent my dêr de master út,
En det wylst in oar is oan it praten!"
Ik sei: 'k Wol leauwe, dy snoade gút
hat det leard fen syn kameraten".

Och ja", sei 't ald minske, „in boarter is 't!"
Wy koenen it laitsjen net litte.
In hoartsje letter do moasten wy
Yn 'e tram nei Wytmarsuum sitte.

Fen praet komt praet; sa gyng it hjir ek:
It boek fen 'e Wûnzer histoarje
Waerd ypen lein — en Lútsens byld
Blonk der út yn pauslike gloarje.

Sa kaemen wy to Wytmarsum oan;
Wy wierne sa egen wirden.
As hierne w' elkoarren jierren kend;
Do spriek ik tsjin him de wirden:

„Siz nou mar tsjin jimme tsjerkerie,
Det jo hjoed reiz'ge binne
Mei Piter Jelles, hwaens namme j' op
Fij Lútsen fine kinne".

Do seagen my ta pear eagen oan,
Sa great as inkelgounen;
De kjeltme makke hjar sa forheard,
Det hj' earst gjin wirden founen.

Dêr sprong 't ald minske laitsjend op —
„O dou, o dou", en hja staette
My oan mei de earm.   Wy seine goêndei
Om't it paed ús fen inoar skaette.

* Het schijnt, dat dr. Wagenaar ook veel van tekenen hield en dat hij tijdens een bijeenkomst in de kerk meester Floor, terwijl deze aan het woord was, uittekende. Dit moet dan ergernis verwekt hebben bij de oude, degelijke boerinne.

Na het vertrek van dr. Wagenaar in 1882 bleef de gemeente acht jaar vacant. Deze lange vacature was mee een gevolg van de doleantie, die in Wons heel wat beroering bracht. Eerst in 1890 kwam ds. F. T. Salverda, die tot 1895 bleef.

Daarop werd de hervormde gemeente 25 jaar gediend door ds. Okke Norel, bij velen onder de oudere lezers nog heel goed bekend. Hij was ook schoolopziener, een combinatie, die vroeger wel meer voorkwam. Ds. Joh. Yzerman stond te Wons van 1921—1926, waarop ds. G. van Hoeven 19 jaar de gemeente diende, n.1. van 1928—1947. Daarop volgde ds. A. Mol (1948—1956), terwijl thans ds. T. Feenstra de zorg van hervormd Wons op zich heeft genomen. De gemeente telt Volgens Van Alphen 260 zielen.

„De beide kerkelijke partijen, die naast elkaar staan in het geloof, zouden hier minder goed harmoniëren dan in Schraard", zo deelde Hepkema in zijn plaatsbeschrijvingen omstreeks 1900 mee. Ik neem dadelijk aan, dat hij goed was ingelicht, want in Wons was de verhouding na de doleantie vrij scherp. In geen dorp in Friesland is misschien de strijd zo hevig geweest, wat des te erger was, omdat beide partijen inderdaad in het geloof naast elkaar stonden. Een heel ander geval was het, als b.v. een rechtzinnige groep tegenover een moderne stond, zoals in Hijlaard en Kollum. De 9de februari 1887 besloot de kerkenraad onder leiding van de consulent ds. H. C. Lambers van Longerhouw, om met de synodale organisatie te breken. Ds. Lambers ging zelf met dit besluit niet akkoord en verliet dan ook de vergadering, na de notulen nog getekend te hebben. De volgende dag werd de kerkenraadsvergadering gehouden onder leiding van dr. Wagenaar van Heeg. Van de drie kerkvoogden gingen de president-kerkvoogd G. Burghgraaf en S. S. de Witte met de doleantie mee, maar H. W. Tilstra niet. Van de kerkenraad was het de ouderling Politiek, die de kerkenraad niet kon volgen op zijn weg. Aanvankelijk bleef de kerk in het bezit van de dolerende kerkvoogden en traden er predikanten op als ds. Van Kasteel en dr. Wagenaar. De ringpredikanten kwamen soms wel, maar verdwenen meestal, als ze zagen, dat de toegangen al bezet waren. Dat veranderde in juni, toen er twee zondagen geen dienst werd gehouden, omdat beide partijen het kerkgebouw hadden bezet. Wederzijds had men wakers, sloten werden aangebracht en weer verwijderd. Tenslotte werd de 3de juli door de „anti-dolerende" partij definitief bezit genomen van de kerk en op die dag preekte ds. Eringa van Gaast als ringpredikant. De dolerenden moesten zich met een andere vergaderplaats vergenoegen, tot in 1888 een eigen kerkje gereed was. Zo had de intree van de beroepen predikant ds. T. D. Prins op 24 juli dan ook niet meer plaats in de „oude" kerk, maar in een schuur. Bij deze intree was, zo merkt dr. Rullmann ondeugend op, een Malchus aanwezig, wiens oor nog niet geheeld was. Ook om de pastorie, waarin door de dolerende zowel als de anti-dolerende partij een gezin geplaatst was, werd een hevige strijd gestreden.


Wons. Inkttekening ±1780. Auteur onbekend. Stichting Ald Makkum: 9865

De 16de juli werd een ernstig gevecht geleverd, waaraan zelfs handlangers uit andere dorpen deelnamen. En in die slag was de man, die in de schuur de intree van ds. Prins bijwoonde, gewond. Wons genoot zelfs de twijfelachtige eer, dat er een heftig debat in de Tweede Kamer over de gebeurtenissen in dit anders zo rustig dorpje werd gevoerd. 38 dolerenden hadden een bezwaarschrift ingediend, speciaal tegen het huns inziens partijdig optreden van de burgerlijke overheid en het waren de a.r. Donner en De Savornin Lohman die hun partij kozen, daarbij gesteund door de liberaal Sam van Houten, terwijl de a.r. afgevaardigde Beelaerts van Blokland met de liberaal Levy het optreden van de burgemeester verdedigden. De proceskosten waren voor de kleine dolerende gemeente hoog. Haar eisen werden door de rechtbanken afgewezen en zij moest ƒ2.100,20 aan proceskosten betalen. Dit bedrag is evenals dat van de andere procederende kerken door een algemene collecte in alle gereformeerde kerken bijelkaar gebracht.

Het was al met al een trieste historie. De gemoederen kalmeerden op den duur natuurlijk, maar dat Hepkema in 1900 zijn opmerking plaatste, is wel begrijpelijk. Ook op schoolgebied had de kerkstrijd gevolgen, die eerst in onze tijd werden weggenomen.

Ik wil hier verder niet al te veel meer over schrijven. De historie moest vermeld, maar we mogen er gelukkig aan toevoegen, dat nu weer 50 jaar nadat Hepkema zijn opmerking plaatste, de tegenstellingen zover zijn uitgesleten, dat men broederlijk kan samenwerken, ook op schoolterrein.

Ds. Prins had aanvankelijk geen huis. De weduwe Reinsma bood haar woning aan en woonde in een arbeidershuisje, tot de pastorie gereed was. In 1891 vertrok ds. Prins naar Bolsward, maar hij  verzorgde in de omgeving ook vaak de herderloze kleine gemeenten.Hij heeft ook een tamelijk lange lijst van opvolgers gehad: ds. G. Ploos van Amstel, ds. J. Bakker, ds. J. M. de Jong, ds. R. van Reenen, ds.S. J. Koster, ds. E.N.  van Loo,  die van  1929—1946 de gemeente verzorgde,   ds. A. M. v.d.   Zanden  en ds. J. Végh, een  Hongaar van origine. Sedert 1955 heeft ds. H. G. Boswijk de leiding van de gemeente, die volgens de gegevens van het kerkelijk jaarboek van 1958 193 leden telt. De beide groepen zijn dus vrijwel even sterk en psalm 133 moge hier in de toekomst weer uit volle borst worden gezongen, want hervormden en gereformeerden in Wons, zij zijn toch niettegenstaande strijd en gedeeldheid in de vorige eeuw „broeders van hetzelfde huis",  leden van de gemeente, zou Wiegen de Dromer van Oostloorn zeggen, waar men deze twisten ook had gekend.

Wons heeft in de dagen van de Republiek ook zijn dorpsschool gehad, die het eigendom was van de kerk, waarin christelijk onderwijs werd gegeven en die door de floreenplichtigen werd voorzien van een meester.

In 1796 werd de Wonser schoolmeester afgezet, omdat hij de „nieuwe orde" niet wilde erkennen. Hij zal dus een oranjeklant zijn geweest. Zijn opvolger was meester D. H. Robijn, die in 1807 overleed. Er werden toen sollicitanten opgeroepen voor een nieuwe opvoeder der jeugd. Tractement: ƒ 200,— per jaar plus vrij wonen en de opbrengst der schoolpenningen. Natuurlijk was de meester meteen kostervoorzanger. Benoemd werd toen Jan Cornelis Salverda, die tot zijn dood in 1836 te Wons bleef. Over hem schreef ik reeds eerder. Echter hier nog een anekdote uit zijn loopbaan. Eens kwam de schoolopziener, ds. Visser van Ysbrechtum, de school inspecteren. Hij had zijn zoontje bij zich. Boven het turfvuur in de school hing een pot met koolrapen voor het middagmaal. Misschien had meester thuis geen brandstof.

De schoolopziener maakte nog al wat drukte over deze kokerij en zwijgend bracht meester Salverda de pot naar zijn huis. Teruggekeerd vroeg hij aan het zoontje van de schoolopziener: „Wat moet jij hier?" De vader antwoordde: „Hij is mijn zoontje, meester, hij wou vandaag graag eens met mij mee". „Goed en wel", zei meester, „maar de les is niet voor hem . En de schoolopziener kon hoog of laag springen, de jongen moest net als de pot met koolrapen de deur uit.

Toen na de wet van 1857 het onderwijs geheel zaak van de burgerlijke gemeente werd, huurde of gebruikte deze de school en meesterswoning van de kerkvoogdij. Zolang de oude meester leefde, ging dat vaak zonder enige moeite. Toen in 1867 het schoolhoofd in Wons „emeritus" werd, veranderde de zaak. Hij was nog een meester van de oude stijl en hoewel het wettelijk niet mocht, las hij geregeld op statige toon in de klas voor uit de bijbel. Verder was meester een bekwaam tuinman en boomkweker. Hij gaf heel goed onderwijs, maar zijn handen vertoonden, als hij de school binnenkwam, maar al te vaak de sporen van de tuinarbeid, zo wordt verteld door Meester Floor.

Nu zou de gemeente een schoolhoofd moeten benoemen, maar de kerkvoogden en floreenplichtigen zegden aan de gemeente het gebruik van schoolhuis en school op en besloten een Christelijke school te stichten. Tot hoofd werd benoemd de heer K. Floor, onderwijzer aan de Christelijke school te Makkum.

Alle kinderen gingen over of men kan haast zeggen bleven, want uiterlijk veranderde er niet veel. Alleen: er werd nu elke dag uit de bijbel verteld.

Doch de liberale raad van Wons liet het er hier evenmin bij zitten als te Schraard en Gaast, waarover ik al eerder schreef. 17 november 1869 werd te Wons een nieuwe openbare school geopend. Meester D. C. Canne was tot hoofd benoemd, maar toen de schooldeuren open gingen, was er geen enkele leerling! De school had met inventaris ƒ 10.000,— gekost, terwijl voor de grond het drievoudige van de normale prijs was betaald. Geen nood! Dat betaalde het dorp wel. De lasten werden door de gemeente nl. over de dorpen omgeslagen.

De Wonsers zouden hun euvele daad duur betalen. In tien jaar moest de school betaald zijn en er waren boeren, die jaarlijks ƒ 400,— voor deze absoluut onnodige school moesten opbrengen, terwijl de dorpslasten voor het onderwijs vroeger in het geheel ƒ 400,— per jaar waren. Kinderen kwamen er ook met kunst en vliegwerk. Een huurster van een boerderij van de burgemeester tussen Wons en Makkum, wier kinderen evengoed naar Makkum naar school konden, een paar kinderen van een R.K. boer te Engwier, wiens kinderen anders naar Makkum gingen en een paar leerlingen van Goyum, die normaal naar Zurich gingen, werden met „zachte" drang naar de lege school te Wons gezonden en zo had meester Canne dan toch leerlingen. Het hoogste leerlingencijfer dat hij bereikte, was 8. De bewoners van Wons hadden voor de bouw reeds verzoekschriften ingediend tot in Den Haag, om dit nodeloos geldverspillen te verhinderen, maar het mocht niet baten. De autoriteiten beriepen zich op de grondwet, waarin stond, dat overal in den lande genoegzaam lager onderwijs zou worden gegeven. Ook toen de school er al was, bleven de Wonsers protesteren en de 13de januari 1871 verzochten zij de gemeenteraad de school op te heffen. Weer zonder resultaat. Het antwoord luidde:

   

 

In aanmerking genomen, dat vroeger te Wons bestaande een openbare school, die school tot bijzondere is ingericht, — dat volgens art. 17 der Wet door Heeren Gedeputeerde Staten de uitnodiging is geschied, dat te Wons een openbare school moet zijn, — dat deze Vergadering diensvolgens de daarstelling heeft bevorderd, — dat ingezetenen van Wons meermalen ook tegen die stichting zich tot Z.M. de Koning hebben gewend, zonder enig succes; — dat mitsdien het schoolgebouw bestaat, en een hoofdonderwijzer aldaar is aangesteld, en zijn functie waarneemt; dat weliswaar niet te ontkennen valt, dat van Wons geen kinderen van dat onderwijs gebruik maken; dat evenwel de volkrijkheid van Wons en Engwier van dien aard is, dat aldaar een openbare school niet kan ontbreken; gelet op art. 17 der wet op het onderwijs, inhoudende dat de gemeenteraad het getal scholen bepaalt; is besloten:
Aan adressanten te kennen te geven, dat hun verzoek voor geen gunstige beschikking vatbaar is."


Gedeputeerden vonden geen termen om dit besluit ter vernietiging voor te dragen en een request bij de Kroon baatte al evenmin. De minister van binnenlandse zaken, Thorbecke, schreef, dat de bezwaren in overweging konden worden genomen, als deze vóór de bouw waren ingediend. Alsof dat niet gebeurd was, zelfs tot tweemaal toe. „Ergerlijker kon het niet.

Een minister, onbekendheid voorwendende, die de adressanten toevoegde: gij komt te laat, gij hebt uw tijd verzuimd". Groen kwam dan ook in het geweer.

De bepaling dat overal in den lande voldoende lager onderwijs zou moeten worden gegeven, noemde hij een ellendige zinsnede. En hij wees er op, dat zo iets als in Wons nu eens in een R.K. dorp in Brabant zou moeten gebeuren! Dan durfde de regering niet. „Recht voor allen. Behalve voor den Christen, die aan de belijdenis der Gereformeerde kerk vasthoudt. Stel een Roomsch-Katholiek Wons met een bijzondere school, terwijl voor een eventuele staatsschool naar kinderen tevergeefs gezocht wordt. Zou men daar de gemeente dwingen tot bekostigen van staatsschoolgebouw cum annexis? Neen, de openbare zou aan een bijzondere gelijk en ultramontaansch zijn. Zo in N.Brabant of Limburg gebeurde, wat in Friesland plaats heeft, welke zou de houding der R.K. geestelijkheid, welke zou de toon der R.K. leden der Staten-Generaal zijn?" Maar wat stoorde een Regering zich aan de protesten van een man als Groen. Die betweters van Wons, Schraard, Gaast en andere dorpen moesten het maar ondervinden wat het betekende, zich te verzetten tegen de vaderlijke gevoelens van de Staat. En toch verloren de liberale heren.

Al werd als lokmiddel ook vrijstelling van schoolgeld gegeven aan allen, die de openbare school bezochten, de Wonser school bleef leeg. En eindelijk, in 1884, gaf men de strijd op. De school werd opgeheven en tegen 1 januari 1885 was het gebouw te huur! Hoe weinigen zouden het toen hebben geloofd, als iemand had voorspeld, dat het heel spoedig weer voor school zou worden gebruikt.

De bewoners van Wons hadden van 1868—1884 f 25.369 voor die totaal onnodige school opgebracht!

Meester Floor was een ijverig werker. Niet alleen in Wons, maar ook in heel de omtrek streed hij voor de Christelijke school. Wat meester Kroese was voor de omgeving van Drachten, was hij voor Wonseradeel. Zo is het mee aan zijn onvermoeide propaganda te danken, dat Witmarsum een Christelijke school kreeg en evenzo Exmorra en Parrega. En hij werd daarbij hartelijk gesteund door de „Wonser vrienden", zoals men wel zei. Deze broeders waren practisch. Te Parrega verschenen deze „vrienden" op verzoek om over een school te praten. Men vroeg hoe dat aangepakt moest worden. „Heel eenvoudig", antwoordde een der Wonsers, „u maakt een lijst klaar en zet er boven: Intekenlijst voor een Christelijke school. Vlak daaronder plaatst u uw naam met ƒ 1000,— er achter. Dan gaat u er mee naar boer N. en die tekent ook ƒ 1000,— en zo gaat u maar door".

Toen men in Witmarsum met een beginkapitaal van ƒ 600,— zat, zei Floor: „Zie nog ƒ 1000,— bij elkaar te krijgen, ik zal ook
ƒ 1000,— ophalen, we nemen ƒ 1000,— hypotheek en dan hebben we al ƒ 3600,—". Dat waren mannen van de daad!

De doleantie bracht in Wons scheiding op schoolgebied. Meester Floor was een vurig aanhanger van de doleantie en het gevolg was, dat hij ontslag kreeg als meester aan de Christelijke (kerkelijke) school. De Gereformeerden kochten nu de leegstaande openbare school en van dat ogenblik af had Wons twee Christelijke scholen. Beide bleven ze klein. Meester Floor heeft zelfs lang alleen voor de klas gestaan en ook in later tijd bleven beide scholen één- of tweemansinrichtingen. Nog een jaar of vijftien is Meester Floor gebleven. Hij heeft toen Wons, waar hij bijna 40 jaar had gearbeid, verlaten en één der ouderen in Wons wist me nog als bijzonderheid te vertellen, dat meester Floor met een auto was vertrokken. Dat was in die tijd nog iets heel bijzonders. Aan de „oude" school werd meester Floor vervangen door de heer H. Pasma. Ik vond zijn grafsteen nog op het kerkhof, maar alleen de naam was nog te lezen op deze zerk.

Na de heer Pasma kwam de heer Bakker en daarop de heer H. Scheweer, die in 1944 te Wons is overleden. Zijn opvolger was de heer Schraa, die voor enkele jaren werd vervangen door de heer H. Dijkstra. Aan de Gereformeerde school is de heer Floor opgevolgd door zijn zoon, Jan Floor. Verder hebben aan deze school gewerkt de heren P. de Jong, Hendrik Fokkema, R. Roukema, J. de Vries, Joh. Anema, P. S. Visser, Joh. Liezenga en K. A. Dijkstra,

De laatste tijd vraagt Wons weer de aandacht; nu niet omdat er strijd en scheiding is, maar omdat de beide scholen verenigd werden. De Hervormde school had in 1956 39 leerlingen, de Gereformeerde 33. Beide partijen zijn het volledig eens geworden over hereniging; het bestuur bestaat uit 3 Hervormden en 3 Gereformeerden, en wat het personeel betreft, dit zal „om en om" zijn. Beurteling dus een Hervormd en een Gereformeerd hoofd. Men begon met een Gereformeerd hoofd, want dit kwam het beste uit, toen de „Hervormde Dijkstra" een benoeming bij het U.L.O. had aangenomen, de „Gereformeerde Dijkstra" de eerst aangewezene voor het hoofdschap van de nieuwe school was.

Het gebouw van de Gereformeerden is van 1926 en ziet er heel wat moderner uit dan de Hervormde school, die nog uit de 19de eeuw dateert. Alle kinderen kunnen echter niet in de Gereformeerde school en derhalve zal voorlopig althans een der lokalen van de Hervormde school in gebruik moeten blijven. In verband met deze omstandigheid zal de nieuwe school een driemansschool worden, hoewel er — gelet op het leerlingenaantal — ook aan de gecombineerde school maar twee leerkrachten zouden mogen werken. Men ziet hieruit, dat het ook belangrijk goedkoper is, nu de beide scholen één zijn. Van de heer Joh. Politiek, die een groot aandeel in dit werk heeft gehad, zoals mij werd meegedeeld, vernam ik verschillende bijzonderheden over de historie, die hier althans op schoolgebied de verdeeldheid heeft weggenomen. In Wons kan men met enige wijziging de bekende slagzin gebruiken: Onverdeeld naar de éne Christelijke school! Trouwens Gaastmeer, Engwierum, Reitsum en nog andere plaatsen hadden het goede voorbeeld al gegeven. Als bijzonderheid wil ik nog vermelden, dat een zoon van de heer Floor, een der pioniers van het Christelijk onderwijs op Java is geweest. Hij was het eerste hoofd van de Paul-Krugerschool te Batavia en heeft daar veel gedaan voor het Nederlands Christelijk onderwijs, ook buiten zijn eigen school. De Christelijke school te Wons telt thans 65 leerlingen.

Op een regenachtige zaterdagmiddag heb ik over 't kerkhof gedwaald. De gedenksteen en de grafsteen van Meester Salverda, die ik toen zag, noemde ik al. Er liggen veel zerken op het kerkhof rondom het theebuskerkje. Opvallend veel komen de namen Tilstra, Weerstra, Politiek, Burggraaf en Wesselius voor.

Wie de zerken ziet, schreef Hepkema voor meer dan 50 jaar, merkt op, dat er zeer dikwijls teksten op de grafstenen staan. Inderdaad wordt op dit kerkhof opvallend veel geroemd van de hoop der opstanding. Een paar grafstenen troffen me. Op één wordt de naam J. de Frankrijker vermeld en daarbij: gevallen voor het vaderland. Hij was geen Wonser, maar hij is hier de 12de mei bij de strijd om de Afsluitdijk en de zogenaamde stelling Wons gesneuveld. De overige gevallenen zijn elders begraven, maar deze ene heeft hier zijn laatste rustplaats behouden. Maar de zerken spreken ook van de tweede maal, dat Wons in de vuurlijn kwam, n.1. in april 1945. Een drievoudig graf met een zerk, die de namen bevat van Klaaske, Pleuntje en Lieuwe Wesselius, door een voltreffer weggerukt. Hoe troostrijk, dat de ouders 1 Cor. 15 : 53—58 onder het opschrift konden plaatsen. En dan staat dicht daarbij een steen op het graf van Simentje G. Dijkstra, de echtgenote van Jac. Bijlsma, die dezelfde dag door het oorlogsgeweld omkwam.

Nog een drievoudig graf met één zerk trof ik aan, die herinnert aan de ramp die het gezin van Van der Burg op Wonserweeren trof, de 2de februari 1955, toen drie zoons bij het schaatsenrijden verdronken in één wak. Wel heel sterk spreekt het woord van Paulus op dit Wonser kerkhof: En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid heeft aangedaan en dit sterfelijke ontsterfelijkheid, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning!

 

 

Index pagina

Vorige pagina

 

Histoarysk Wurkferbân Wûnseradiel